Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de verzending en daarmee de bekendmaking van een naheffingsaanslag omzetbelasting 2016 aannemelijk maakt. Omdat X pas jaren na afloop van de bezwaartermijn bezwaar maakt en geen verschoonbare reden stelt, blijft de niet-ontvankelijkverklaring in stand.

De inspecteur legt X een naheffingsaanslag omzetbelasting 2016 op van € 11.991, met een verzuimboete van € 1199 en belastingrente van € 1453. De aanslag draagt dagtekening 28 december 2019 en ziet op het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. X dient op 3 juli 2024 per brief bezwaar in tegen deze naheffingsaanslag en de beschikkingen. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. X stelt vervolgens beroep in. In geschil is of de inspecteur het bezwaar van X tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting 2016 terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaart.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur met de verzendrapportage, inclusief gegevens over het postvervoersbedrijf, aannemelijk maakt dat hij de naheffingsaanslag 2016 op de voorgeschreven wijze verzendt. Daarmee ontstaat een bewijsvermoeden van ontvangst. X voert geen concrete feiten of omstandigheden aan die twijfel aan de postbezorging rechtvaardigen. De bezwaartermijn eindigt op 10 februari 2020, terwijl X eerst op 3 juli 2024 bezwaar maakt. X maakt geen verschoonbare termijnoverschrijding aannemelijk. De inspecteur verklaart het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk, zodat geen inhoudelijke beoordeling van de aanslag en beschikkingen plaatsvindt.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 21 april

Informatiesoort: VN Vandaag

13

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen