In het kader van het tienjarig bestaan van de prejudiciële procedure in belastingzaken vond op 2 april 2026 een symposium plaats bij de Hoge Raad. Tijdens het symposium werd een lijstje afgegaan met ‘gemiste kansen’: zaken waarin – achteraf bezien – de feitenrechter prejudiciële vragen aan de Hoge Raad had kunnen stellen.
Ik denk dat vanuit de indirecte hoek aan dat lijstje de zaken over de zogenoemde bunkertanks kunnen worden toegevoegd. Deze procedures gaan over de vraag of een accijnsvrijstelling kan worden geweigerd indien olie onvoldoende herkenningsmiddel bevat. Hoewel de Hoge Raad nog eindarrest moet wijzen, lijkt het Hof van Justitie de knoop al te hebben doorgehakt in het arrest-Alsen (zie V-N 2025/14.15). Nu is het achteraf makkelijk praten, maar het stellen van prejudiciële vragen door de feitenrechter had deze procedures aanzienlijk kunnen versnellen.
Bij dit soort belastingzaken die gaan over de toepassing van het Unierecht is vervolgens de vraag: aan wie stel je de prejudiciële vragen? In deze zaken mag de feitenrechter immers ook direct prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie (dan wel het Gerecht). De verhouding tussen de Unierechtelijke en de nationale prejudiciële procedure kwam tijdens het symposium helaas niet aan de orde. Noemenswaardig is wel dat op de eerste prejudiciële vragen aan de Hoge Raad al direct (weder)vragen werden gesteld aan het Hof van Justitie. Deze benadering – het niet direct stellen van vragen aan het Hof van Justitie, maar via deze ‘omweg’ – werd in de literatuur ‘chiquer’ (zie R.J. de Vries, BNB 2017/86) en ‘snel en elegant’ (zie C. Maas, FED 2017/89) genoemd. Dit had er waarschijnlijk mee te maken dat er over de kwestie al rechtspraak van de Hoge Raad bestond. In een vergelijkbare situatie – in omzetbelastingzaken over pensioenfondsen – koos Rechtbank Gelderland er juist voor om vragen direct aan het Hof van Justitie te stellen. Dat kwam de rechtbank op kritiek te staan (zie bijvoorbeeld R.A. Wolf, NLF 2022/2082). Zo op het eerste gezicht lijkt er dus een voorkeur te bestaan voor het stellen van prejudiciële vragen via de Hoge Raad, met name als de Hoge Raad zich over de kwestie al heeft uitgesproken. De gerechten kunnen daartoe echter niet worden verplicht. Tijdens een bijeenkomst van de Vereniging voor Belastingwetenschap in 2019 werd het idee geopperd dat gerechten steeds toestemming moeten vragen aan de Hoge Raad alvorens zij prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie (zie WFR 2020/5). Dit idee werd afgeschoten onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie waaruit volgt dat zo’n één-loketsysteem niet is toegestaan.
Ik ben wel nieuwsgierig geworden naar hoe rechters hierover denken. Voelen zij in Unierechtelijke kwesties een lagere drempel om vragen te stellen aan de Hoge Raad dan aan het Hof van Justitie? Hebben zij een voorkeur voor een gecentraliseerde vragensteller in de vorm van de Hoge Raad? En zit de Hoge Raad eigenlijk te wachten op een nieuwe zaakstroom, waarbij wordt gestreefd naar een antwoord binnen zes maanden? Wellicht is dit een geschikt onderwerp voor het volgende jubileum van de prejudiciële procedure.
Informatiesoort: Uitvergroot
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht