De Hoge Raad oordeelt dat het bepaalde in art. 7:5 lid 1 Awb over het horen van X door de inspecteur niet is geschonden. De controleambtenaar was namelijk niet aanwezig tijdens het horen.

X drijft tot 10 februari 2010 een eenmanszaak, waarin X onder verschillende handelsnamen activiteiten verricht. Naar aanleiding van een controle worden naheffingsaanslagen BTW opgelegd aan X. X is het niet eens met de naheffingsaanslagen. Volgens hem is hij namelijk niet de presterende ondernemer. Verder klaagt X over de aanwezigheid van de controleambtenaar bij de zitting voor de rechtbank en het hof en het feit dat de controleambtenaar betrokken is geweest bij de behandeling van de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen. Hof Amsterdam oordeelt dat het juist van belang is dat personen die het dossier goed kennen, zoals de controleambtenaar, ter zitting aanwezig zijn. Het recht op een eerlijk proces wordt met de aanwezigheid van de controleambtenaar ter zitting niet geschonden. Verder zijn volgens het hof de naheffingsaanslagen terecht aan X opgelegd. X gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat het bepaalde in art. 7:5 lid 1 Awb over het horen van X door de Belastingdienst niet is geschonden. De controleambtenaar was namelijk niet aanwezig tijdens het horen. De Hoge Raad wijst hierbij op de gedingstukken, zoals de pleitnota van de inspecteur. De in deze stukken vermelde feiten heeft X niet weersproken. De overige klachten van X over de uitspraak van het hof wijst de Hoge Raad af onder verwijzing naar art. 81 lid 1 Wet RO. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 7.5

Algemene wet bestuursrecht artikel 10.3

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 8 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

85

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen