Roel Kerckhoffs ergert zich aan het gemak waarmee de bepaling voor het opleggen van fiscale boetes aan deelnemers wordt verlengd.

In artikel XV van het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen staat een op het oog onschuldige bepaling:

‘In de Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit wordt in artikel V “1 januari 2019” vervangen door “1 januari 2024”.’

Snuffelen in de Memorie van Toelichting leert dat het een verlenging betreft van de in 2014 vastgestelde proeftijd van de in dat jaar ingevoerde specifieke fiscale boetemaatregel van artikel 67o AWR. In dat artikel is bepaald dat ook medeplichtigen, doen plegers en uitlokkers met een bestuurlijke boete geconfronteerd kunnen worden.

Deze vreemde boete-eend in de fiscale bijt is per 1 januari 2014 in de AWR geïntroduceerd. Daar waar het algemene bestuursrecht de beboeting van medeplegers meer dan voldoende achtte, werd bijna vijf jaar geleden in het fiscale recht voor een fikse uitbreiding gekozen. De aanleiding was de “Bulgarenfraude” die volgens de wetgever strengere regelgeving vergde in de Awir (Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen). Tamelijk laat in het wetgevingsproces is destijds via een slecht onderbouwd amendement geregeld dat deze uitbreiding ook in de AWR van toepassing zou worden. Volgens de indiener van het amendement was deze uitbreiding nodig om betrokkenheid bij fiscale fraude effectiever te kunnen bestrijden.

De wetgever zag ook toen al in dat sprake was van overhaaste wetgeving zodat een zogenaamde horizonbepaling werd ingevoerd. Uiterlijk op 1 januari 2019 zou deze nieuwe bepaling worden geëvalueerd op effectiviteit.

Deze einddatum ligt thans in het verschiet. Nu zou men verwachten dat bij gebleken ineffectiviteit zo’n uitzondering op het algemene bestuursrecht zou worden afgeschaft. Echter niets blijkt minder waar. De regering stelt doodleuk voor om de horizon nog eens vijf jaren op te schuiven. De wet blijkt immers de afgelopen vijf jaar totaal ineffectief te zijn geweest. Of in meer parlementaire termen: “[er] is nog weinig ervaring opgedaan met deze wetgeving”, aldus de wetgever.

Welke argumenten worden daarvoor aangedragen? Het eerste is dat de wet pas geldt voor overtredingen begaan op of na 1 januari 2014. Kennelijk is vijf jaar een veel te korte periode om van deze mogelijkheid gebruik te maken. Dat is natuurlijk heel vreemd. Reeds uit mijn eigen praktijk is mij bekend dat de Belastingdienst de afgelopen vijf jaar echt wel de nodige overtredingen sinds 1 januari 2014 heeft geconstateerd.

Het punt is volgens mij dat de Belastingdienst helemaal is niet is toegerust om dergelijk genuanceerde vormen van deelnemerschap aan een overtreding te beoordelen, laat staan om daarvoor ook nog eens boetebeschikkingen uit te delen en daarover te procederen. Laat dat gebrek aan uitvoeringscapaciteit overigens nu net de reden voor de bestuurswetgever zijn geweest om de vierde tranche boete te beperken tot de medepleger.

Verder draagt de regering aan dat het interne toestemmingstraject op basis van paragraaf 2.6. van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst veel tijd kost. Dat is om te beginnen een volstrekt gratuite stelling als niet tevens wordt aangegeven hoeveel van dergelijke trajecten zijn ingezet en nog niet zijn afgerond. Ik durf te wedden dat het aantal lopende interne procedures nul is. Daar komt bij dat de interne toestemmingstrajecten die ik heb gezien bitter weinig voorstellen en weinig tijd blijken te kosten. De verschillende interne gremia blijken in de praktijk heel snel te kunnen schakelen om de vereiste toestemming te bereiken. Over de inhoud van een dergelijk traject kan weinig met zekerheid melden omdat de Belastingdienst allesbehalve transparant is over het verloop van een dergelijke procedure. De daarop betrekking hebbende stukken worden dermate ‘gezwart’ dat er inhoudelijk geen touw aan valt vast te knopen.

Aan het slot van de Memorie van Toelichting komt de klap op de vuurpijl. De voortduring van de maatregel is belangrijk omdat daarvan een belangrijke preventieve werking uitgaat. Dat is nu precies het gevaar waarvoor ik al verschillende malen heb gewaarschuwd. Belastinginspecteurs kunnen deze mogelijkheid in discussies met belastingadviseurs gebruiken als middel om een bepaalde visie door te drukken. ‘Als u niet bereid bent mijn standpunt te aanvaarden, dan zou dit ook voor u wel eens heel vervelend kunnen aflopen.’ Ik hoor van adviseurs dat dergelijke opmerkingen regelmatig worden gemaakt. Bewijs daarvan krijgen is lastig, juist omdat de betreffende adviseur dit niet aan de grote klok wil hangen.

De vierde tranche boete (en zeker de uitgebreide variant) is een license to kill voor de inspecteur. Zonder gedegen training en zonder de noodzakelijke middelen voor een goed boeteonderzoek is deze bevoegdheid een gevaarlijk wapen. Opportunistisch gedrag van de wetgever zonder goede argumenten is onverantwoord. Laten wij beginnen met artikel XV van het Belastingplan 2019 af te schieten.

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Dossiers: Prinsjesdag 2018

Informatiesoort: Fiscale ergernissen

Carrousel: Carrousel

  344
Gerelateerde artikelen