Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur terecht een btw-naheffingsaanslag heeft opgelegd aan X. De btw-vrijstelling is alleen dan van toepassing op de levering door X als zij de haar in rekening gebrachte btw niet in aftrek heeft gebracht. X heeft dit niet doen blijken. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 Wet RO).

A bv maakt onderdeel uit van belanghebbende, X, een fiscale eenheid voor de BTW. Op 1 juli 2008 levert A bv percelen grond aan C bv, een projectontwikkelaar. C bv betaalt € 4,8 mln voor de onroerende zaak, en verder nog € 3 mln aan goodwill. Ter zake van deze transactie voldoet X geen BTW op aangifte. De inspecteur is van mening dat sprake is van een bouwterrein en dat wel BTW is verschuldigd. Hij legt daarom een BTW-naheffingsaanslag op aan X.

Hof Den Haag (V-N 2020/4.1.4) oordeelt dat de inspecteur terecht een BTW-naheffingsaanslag heeft opgelegd aan X. Het hof wijst er daarbij op dat de vrijstelling alleen dan van toepassing is op de levering door X (volgens de stand van de jurisprudentie op 1 juli 2008 werd de levering van de onroerende zaak niet als de levering van een bouwterrein aangemerkt) als zij de haar in rekening gebrachte BTW niet in aftrek heeft gebracht. X heeft dit niet doen blijken. Uit hetgeen de inspecteur naar voren brengt, volgt dat alle BTW met betrekking tot de onroerende zaak aan X is teruggegeven dan wel in aftrek is gebracht. Volgens het hof heeft X ook geen actie ondernomen om een correctie van de teruggaaf of aftrek voor te stellen. Het gelijk is aan de inspecteur.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de omzetbelasting 1968 37

Wet op de omzetbelasting 1968 11

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Omzetbelasting

Editie: 20 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

  308
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen