De Raad van State (9 februari 2022, 202006204/1/R3, ECLI:NL:RVS:2022:420) stelt de heer Veldsink en mevrouw Veldsink-Schoonbeek in het gelijk in hun procedure tegen de gemeente Hardenberg over het verwijderen van units op hun grond. De Raad van State kent het echtpaar Veldsink-Schoonbeek daarom een forfaitaire proceskostenvergoeding toe van € 3795 en verwerpt daarmee het betoog van het echtpaar dat het Bpb in strijd is met art. 6 EVRM. De forfaitaire vergoeding vormt geen disproportionele beperking van het recht op toegang tot de rechter. Het echtpaar Veldsink-Schoonbeek start vervolgens een procedure voor het EHRM.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat het Nederlandse forfaitaire stelsel voor proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedures geen schending oplevert van het recht op toegang tot de rechter. Het EHRM merkt daarbij op dat lidstaten een grote mate van vrijheid hebben bij het inrichten van hun rechtssysteem en de regels rondom proceskosten. Verder overweegt het EHRM dat het EVRM het recht op toegang tot een rechter garandeert, maar staten niet verplicht tot een volledige vergoeding van alle werkelijke advocaatkosten voor de winnende partij. Zolang de essentie van het recht op toegang tot de rechter niet in de kern wordt aangetast, mag een staat eigen keuzes maken.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 6
Rubriek: Internationaal belastingrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Regelgevende instantie: Europese Unie
Editie: 13 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag