X is het niet eens met aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing. Hij stelt dat uit de gemeentelijke begroting blijkt dat de geraamde baten hoger zijn dan de geraamde lasten, zodat de verordeningen onverbindend zijn wegens strijd met art. 228a Gemeentewet en art. 15.33 Wm. Volgens X moet uitsluitend worden uitgegaan van de door de gemeenteraad vastgestelde begroting. Over een ander jaar is X door de Hoge Raad in het ongelijk gesteld (HR 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:996, V-N 2025/33.32.45).
Hof Amsterdam oordeelt dat de gemeente in het kader van het vaststellen van de opbrengstlimiet compensabele BTW als “last ter zake” mag meenemen ook als deze feitelijk niet op de gemeentelijke begroting drukt door de werking van het BTW-compensatiefonds. Daartegenover hoeft de bijdrage uit dat fonds niet als “bate ter zake” dan wel als negatieve “last ter zake” in aanmerking te worden genomen (vgl. HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016, V-N 2019/31.21). Anders zou de wettelijke regeling (art. 228a lid 3 Gemeentewet en art. 15.33 lid 3 Wm) haar doel missen. Het hof concludeert dat het achteraf alsnog in aanmerking nemen van compensabele BTW in de ramingen geen wijziging in de begroting van de gemeente meebrengt en niet leidt tot de door X gestelde verstoring van het evenwicht tussen lasten en opbrengsten (vgl. HR 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016, V-N 2019/31.21). Het hoger beroep van X is ongegrond.
Wetingang:
Wet milieubeheer artikel 15.33
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Belastingen van lagere overheden
Editie: 25 mei
Informatiesoort: VN Vandaag