Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de berekening van de algemene heffingskorting niet in strijd is met het belastingverdrag met België en het verdrag geen regels bevat over de verdeling van het recht om premies te heffen. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

X is woonachtig in België en wordt in Nederland aangemerkt als kwalificerende buitenlands belastingplichtige. In 2017 heeft zij een gering bedrag aan pensioeninkomen uit Nederland ontvangen. In de definitieve aanslag IB/PVV 2017 betrekt de inspecteur het pensioeninkomen in de afbouw van de algemene heffingskorting. X is van mening dat deze afbouw, gezien het feit dat het pensioeninkomen ter heffing aan België is toegewezen, in strijd is met het belastingverdrag met België.

Hof ’s-Hertogenbosch (V-N 2023/36.1.3) oordeelt in navolging van de rechtbank dat de berekening van de algemene heffingskorting niet in strijd is met het belastingverdrag met België. Het verdrag bepaalt slechts welke inkomensbestanddelen de landen in de grondslag mogen betrekken. De algemene heffingskorting vormt een onderdeel van de tariefstructuur en valt niet onder de toepassing van het verdrag. Ook bevat het verdrag geen regels over de verdeling van het recht om premies te heffen. X' hoger beroep is ongegrond. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

Lees ook het thema Buitenlandse belastingplicht in de loonbelasting.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 8.9a

Wet inkomstenbelasting 2001 8.9

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 16 november

Informatiesoort: VN Vandaag

239

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen