De Kennisgroep loonheffing algemeen geeft uitleg over de gevolgen van gedeeltelijke uitkering van stamrechten die ontstonden voor de afschaffing van de stamrechtvrijstelling.

Op stamrechten die voor 2014 zijn toegekend is het overgangsrecht van art. 39f Wet LB 1964 van toepassing. De waarde van de aanspraak kan geheel of gedeeltelijk eerder tot uitkering komen zonder dat de aanspraak ineens in zijn geheel wordt belast.

Een gehele of gedeeltelijke uitkering van een stamrecht is onderworpen aan loonheffing. Het deel van de aanspraak dat niet wordt uitgekeerd blijft op grond van de omkeerregel buiten de heffing als aan de voorwaarden van het overgangsrecht is voldaan.

Als niet meer aan de voorwaarden van het overgangsrecht wordt voldaan leidt dit tot een fictief genietingsmoment volgens art. 19b Wet LB 1964 (tekst 2013). Een gerechtigde geniet dan onmiddellijk loon uit vroegere dienstbetrekking. De waarde van dit loon uit vroegere dienstbetrekking is gelijk aan de bedragen die bij een derde worden gestort. Als er niets is gestort betreft dit een bedrag dat nodig is om de aanspraak te dekken.

Wetsartikelen:

Wet op de loonbelasting 1964 13

Wet op de loonbelasting 1964 19b

Wet op de loonbelasting 1964 13a

Wet op de loonbelasting 1964 39f

[Nieuwsbron]

Rubriek: Loonbelasting

Editie: 28 september

Informatiesoort: VN Vandaag

203

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen