Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de box 3-heffing voor 2013-2016, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2019, in strijd is met art. 1 EP EVRM. Voor rechtsherstel door de rechter is voor deze jaren echter geen plaats. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

X is van mening dat de box 3-heffing voor 2013-2016 in strijd is met art. 1 EP EVRM en wijst daarbij onder andere op het Kerstarrest (HR 24 december 2021, 21/01243, V-N 2022/2.3).

Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2022/29.1.3) oordeelt dat de box 3-heffing voor 2013-2016, gelet op het arrest HR 14 juni 2019, 17/05606, V-N 2019/30.5, in strijd is met art. 1 EP EVRM. In dat arrest besliste de Hoge Raad weliswaar dat de box 3-heffing, onder omstandigheden, op stelselniveau een schending van art. 1 EP EVRM vormt, maar voor ingrijpen door de rechter in beginsel geen plaats is. Verder ziet het Kerstarrest op het systeem (vermogensmix) zoals dat na 2016 geldt en er geen aanknopingspunten zijn dat de Hoge Raad van die lijn is teruggekomen voor het systeem, zoals dat gold tot en met 2016. Voor rechtsherstel door de rechter is voor 2013-2016 derhalve geen plaats, omdat X erkent dat geen sprake is van een voor hem individuele en buitensporige last. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 1

Wet inkomstenbelasting 2001 5.2

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 31 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

Dossiers: Box 3

969

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen