B BV bezit diverse onroerende zaken. De aandelen worden gehouden door de familie Q. Op 30 december 2010 koopt A BV 98,33% van de aandelen in B BV. A BV heeft geen overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Na splitsingen en een fusie, waarbij A BV zuiver wordt gesplitst, hebben de zonen Q uiteindelijk eind 2013, via X BV en E BV, het belang in handen van de onroerende zaken. De inspecteur legt naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting op aan X BV en aan E BV. In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag wel aan de juiste rechtspersoon is opgelegd. Hof Amsterdam oordeelt dat de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting is opgelegd aan de verkeerde rechtspersoon. De aanslag is ten onrechte opgelegd aan X BV, die wel aansprakelijk is voor de belastingschuld. De aanslag had aan A BV, als belastingplichtige verkrijger, moeten worden opgelegd. De staatssecretaris gaat in cassatie. Hij stelt daarbij dat de beslissing van het hof niet in lijn is met het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009 (43720, ECLI:NL:HR:2009:BD9229, V-N 2009/28.5).
De Hoge Raad oordeelt dat de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting aan A BV had moeten worden opgelegd. De inspecteur heeft na een juridische fusie en een zuivere splitsing namelijk niet de keuze op naam van welke betrokken rechtspersoon hij een belastingaanslag stelt. Dat A BV is opgehouden te bestaan door een zuivere splitsing is dus niet van belang. Ook is daarbij niet van belang of bij de rechtspersoon op wiens naam de belastingaanslag wordt gesteld onduidelijkheid kan zijn ontstaan over de vraag op welk belastbaar feit die aanslag betrekking heeft. De Hoge Raad merkt vervolgens nog op dat een en ander ook geldt wanneer een rechtspersoon ophoudt te bestaan door een juridische fusie. Ook geldt het zowel voor belastingen die door middel van een aanslag worden geheven als voor belastingen die worden geheven door middel van voldoening of afdracht op aangifte. De Hoge Raad merkt tenslotte ook nog op dat hij hiermee is teruggekomen van het door de staatssecretaris genoemde arrest van 5 juni 2009 en dat dat al ligt besloten in het arrest van 7 maart 2025 (2023/00908, ECLI:NL:HR:2025:358, V-N 2025/12.13). Het beroep in cassatie is ongegrond.
Wetingang:
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 4
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 16
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 17
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 20
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingen van rechtsverkeer
Editie: 12 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag