X sluit in 1997 een beleggingspolis af met een waarde op 1 januari 2020 van € 1.148.698. De aanslag IB/PVV 2020 komt onherroepelijk vast te staan omdat X geen rechtsmiddelen aanwendt. In 2023 dient X een verzoek om ambtshalve vermindering in en betoogt dat de waarde van de polis als banktegoed moet worden aangemerkt onder de Wet rechtsherstel box 3. De inspecteur wijst het verzoek af. Rechtbank Gelderland oordeelt dat het bezwaar onder de aanwijzing massaal bezwaar plus valt en vernietigt de uitspraak op bezwaar. X stelt hoger beroep in.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het verzoek om ambtshalve vermindering in de kern strekt tot vermindering van het box 3-inkomen op grond van het Kerstarrest en daarom onder de aanwijzing massaal bezwaar plus valt. Dat X bepleit dat de poliswaarde onder de Wet rechtsherstel box 3 als banktegoed kwalificeert, maakt dit niet anders. Die wet is niet van toepassing op de aanslag van X, omdat deze op 24 december 2021 al onherroepelijk vaststond. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.7
Wet rechtsherstel box 3 artikel 1
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 12 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag
Dossiers: Box 3