X is buiten iedere vermogensrechtelijke gemeenschap gehuwd met Y, die een autohandel drijft. X is eigenaar van percelen waarop onder meer de privéwoning van X, een showroom en een loods staan. Y neemt de in 2018 gerealiseerde showroom in 2019 in gebruik voor zijn onderneming. In 2019 begint ook de bouw van de loods. De loods wordt vervolgens door Y verhuurd aan een derde. Op verzoek van de adviseur van X en Y verstrekt de inspecteur in verband met de belaste verhuur van de loods een BTW-nummer aan het samenwerkingsverband van X en Y. X dient vervolgens een BTW-aangifte in namens het samenwerkingsverband. De inspecteur neemt bij X voor 2020 een boekwinst in aanmerking wegens beëindiging van de terbeschikkingstellingsregeling. X gaat in beroep.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur ten onrechte een boekwinst bij X in aanmerking heeft genomen in verband met de beëindiging van de terbeschikkingstelling van de grond aan Y. X stelt de ondergrond van de loods ter beschikking aan Y, die deze gebruikt voor de bouw en verhuur van de loods aan derden. Deze terbeschikkingstelling door X aan Y duurt dus feitelijk voort. Voor zover de terbeschikkingstellingsregeling eindigt doordat Y de ondergrond niet langer voor zijn autohandel gebruikt, gebeurt dit bovendien in 2019. De bouw is toen begonnen en Y heeft de huurovereenkomst in dat jaar gesloten. De rechtbank vermindert de aanslag. Ook kent zij wegens ernstig onzorgvuldig handelen van de inspecteur een bovenforfaitaire proceskostenvergoeding van € 25.000 toe.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.91
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 12 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag