X is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning op een NSW-landgoed. X stelt beroep in tegen de vaststelling van de WOZ-waarde en voert aan dat de waardering niet inzichtelijk is. De heffingsambtenaar onderbouwt de waarde met drie vergelijkingsobjecten. Vanwege de ligging op het NSW-landgoed past hij daarnaast een instandhoudingsfactor van -13,5% toe. Pas op zitting verwijst de heffingsambtenaar naar de Taxatiewijzer NSW-Landgoederen als grondslag voor deze factor.
Rechtbank Oost-Brabant oordeelt dat de waardeonderbouwing van de heffingsambtenaar gebrekkig is. De heffingsambtenaar maakt nergens in de stukken inzichtelijk hoe de instandhoudingsfactor tot stand komt. Het enkel verwijzen naar een ingevuld rekenblad van de Taxatiewijzer acht de rechtbank onvoldoende. Daarnaast constateert de rechtbank dat twee van de drie vergelijkingsobjecten bijna anderhalf jaar na de waardepeildatum verkocht zijn en dat de heffingsambtenaar bij het derde object een onjuiste indexering toepast. Omdat ook X de door hem bepleite waarde niet aannemelijk maakt, stelt de rechtbank de waarde in goede justitie lager vast.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 17
Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken artikel 4
Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken artikel 2
Natuurschoonwet 1928 artikel 1
Instantie: Rechtbank Oost-Brabant
Rubriek: Waardering onroerende zaken
Editie: 12 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag