Hof Amsterdam oordeelt na verwijzing door de Hoge Raad dat de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat bij het vaststellen van de gecorrigeerde vervangingswaarde de daarbij in aanmerking genomen restwaarden niet te hoog zijn berekend.

X BV huurt een zelfstandig gedeelte van een voormalige kerk. In geschil is de WOZ-waarde van € 357.000 voor 2019. In een door de inspecteur overgelegd taxatierapport is de gecorrigeerde vervangingswaarde vastgesteld op € 357.177. Volgens Hof Den Haag wil X BV voor wat betreft de restwaarden van de ruwbouw, afbouw en installaties afwijken van de betreffende taxatiewijzer, zodat zij daarvoor de gronden moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. X BV slaagt hier niet in. Volgens de Hoge Raad is de bewijslast ten onrechte bij X BV heeft gelegd. X BV heeft namelijk zowel in eerste aanleg als voor het hof de toepassing van de taxatiewijzer met betrekking tot de restwaarden bestreden. Er is dus geen reden om af te wijken van de hoofdregel dat de stelplicht en bewijslast in eerste instantie op de heffingsambtenaar rust. Volgt verwijzing.

Hof Amsterdam oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat bij het vaststellen van de gecorrigeerde vervangingswaarde de daarbij in aanmerking genomen restwaarden niet te hoog zijn berekend. Met de verkoopgegevens van drie vergelijkingsobjecten is aannemelijk gemaakt dat de objecten na het einde van de resterende levensduur voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt en dat de ruwbouw, afbouw en installaties een restwaarde bereiken die hoger is dan enkel de sloopwaarde ervan. Het hoger beroep van X BV is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet waardering onroerende zaken artikel 17

Instantie: Hof Amsterdam

Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 15 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

8

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen