X is via zijn persoonlijke holding X BV minderheidsaandeelhouder van Y BV. Y BV sluit overeenkomsten met Z BV over het leveren van mondkapjes. De inspecteur corrigeert de aanslag IB/PVV 2020 van X met een bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden, omdat X en zijn twee zakenpartners volgens de inspecteur over de inkomsten uit de mondkapjesleveringen beschikken. X bestrijdt dit en beroept zich op schending van het fair-playbeginsel. De inspecteur verzoekt daarbij om geheimhouding van vijf stukken uit het procesdossier, waaronder e-mails, een verslag afstemmingsoverleg en een globaal verslag. De anonimiseringen betreffen onder meer interne strategische overwegingen, persoonsgegevens van derden en contactgegevens. In geschil is of de inspecteur terecht een beroep doet op geheimhouding van vijf deels geanonimiseerde stukken in het procesdossier.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat het recht op gelijke proceskansen uitgangspunt is en dat beperkte kennisneming alleen bij gewichtige redenen mogelijk is. De rechtbank weegt het belang van X bij kennisneming in een aantal gevallen zwaarder dan het belang van de inspecteur bij geheimhouding. Dit geldt met name voor passages die de kern van de zaak raken, waaronder informatie over de belastingplicht van betrokken rechtspersonen en contactgegevens die bij X bekend zijn. Het beroep van X op schending van het fair-playbeginsel speelt hierbij mee. De anonimiseringen van persoonsgegevens van niet direct betrokken belastingambtenaren en FIOD-medewerkers blijven in stand. De rechtbank wijst het verzoek in zoverre dan ook toe.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.29
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 15 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag