X woont in Roemenië, ontvangt een UWV-uitkering van € 19.438 en bezit een onroerende zaak in Nederland ter waarde van € 125.000. In zijn aangifte IB/PVV 2019 voert X € 4483 aan specifieke zorgkosten op. De inspecteur corrigeert de aangifte, legt een aanslag op naar een box 1-inkomen van € 18.437 en een box 3-inkomen van € 353 en legt een verzuimboete op wegens te late indiening. Na bezwaar kent de inspecteur heffingskortingen toe maar handhaaft de boete. De rechtbank behandelt het beroep uitsluitend ten aanzien van de boete en verklaart dit ongegrond. X stelt hoger beroep in.
In geschil is of de rechtbank ten onrechte niet over de aanslag heeft beslist en of de inspecteur de aanslag en de verzuimboete terecht heeft opgelegd.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de rechtbank het beroep ten aanzien van de aanslag ten onrechte niet heeft behandeld. Het belastingverdrag Nederland-Roemenië wijst de heffing over de UWV-uitkering en de onroerende zaak toe aan Nederland. X heeft de opgevoerde specifieke zorgkosten niet aannemelijk gemaakt. De inspecteur heeft de aanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Ten aanzien van de verzuimboete heeft de inspecteur de verzending van de uitnodiging en aanmaning overtuigend aangetoond. Het beroep op afwezigheid van alle schuld en het vertrouwensbeginsel faalt. Het hof acht de boete passend en geboden.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 7.2
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67A
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting, Internationaal belastingrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 15 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag