X doet in de periode februari 2011 tot juni 2013 diverse aangiften voor het in het vrije verkeer brengen van goederen onder GN-onderverdeling 0404 10 02 (weipermeaat). Na een controle na invoer corrigeert de douane de goederencode naar GN-onderverdeling 0404 90 21 (melkpermeaat) en reikt de inspecteur drie uitnodigingen tot betaling (utb’s) uit voor in totaal € 3.192.083 aan douanerechten. X bestrijdt de utb’s tot in cassatie, maar de Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond. De utb’s staan daarmee onherroepelijk vast. X dient vervolgens verzoeken om terugbetaling in op grond van art. 239 CDW. De inspecteur wijst deze herhaaldelijk af. Rechtbank Noord-Holland bevestigt de afwijzing van de verzoeken.
In geschil is of X in aanmerking komt voor terugbetaling van douanerechten op grond van art. 239 CDW wegens bijzondere omstandigheden bij de invoer van melkpermeaat.
Hof Amsterdam oordeelt dat er geen bijzondere situatie bestaat in de zin van art. 239 CDW. Het feit dat Frankrijk een onjuiste tariefindeling toepast voor melkpermeaat betekent niet dat de belastingheffing bij importeurs in andere lidstaten als onbillijk kwalificeert. Bovendien geldt de rechtsonzekerheid over de indeling van melkpermeaat voor alle betrokken importeurs, niet uitsluitend voor X. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie vereist een bijzondere situatie dat de betrokkene zich in een bijzondere positie bevindt ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten. Nu er geen bijzondere situatie bestaat, kan in het midden blijven of X klaarblijkelijke nalatigheid kan worden verweten. Het hof bevestigt de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland.