Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X recht heeft op een kostenvergoeding in bezwaar, omdat het bestreden besluit op een onverbindende verordening berust en daarom onrechtmatig is.

De heffingsambtenaar legt X een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 59,80 op (€ 2,30 belasting en € 57,50 kosten). X maakt bezwaar. Na een eerdere terugwijzing door de rechtbank verklaart de heffingsambtenaar het bezwaar gegrond en vernietigt de naheffingsaanslag “uit coulance”. De heffingsambtenaar kent geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toe, omdat de vernietiging volgens hem niet voortvloeit uit een aan hem te wijten onrechtmatigheid. X stelt beroep in tegen het ontbreken van de kostenvergoeding.

In geschil is of de heffingsambtenaar terecht geen kostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend, nu de naheffingsaanslag volgens hem uit coulance en niet wegens onrechtmatigheid is vernietigd.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X recht heeft op een kostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank sluit zich aan bij eerdere uitspraken waarin de Verordening parkeerbelastingen Breda 2022 onverbindend is verklaard wegens te hoog vastgestelde kosten. Het bestreden besluit is genomen ná deze uitspraken en is daarom onrechtmatig. De vernietiging van de naheffingsaanslag vindt plaats wegens een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 7.15

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 15 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

7

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen