Hof Amsterdam oordeelt na terugwijzing door de Hoge Raad dat aannemelijk is dat X BV met haar Indonesische leverancier in werkelijkheid niet de leveringsvoorwaarde DDP is overeengekomen.

Aan X BV is in 2014 een uitnodiging tot betaling (UTB) van € 24.383 aan douanerechten en antidumpingrechten opgelegd voor het in het vrije verkeer brengen van ijzeren en stalen bevestigingsmiddelen. De goederen zijn in 2012 aangegeven als zijnde afkomstig uit Indonesië en bij invoer is het 0%-tarief toegepast. Volgens het OLAF-onderzoek zijn de goederen vanuit China via Indonesië naar de EU vervoerd. In de aangifte is de leveringsconditie Delivered Duty Paid (DDP) vermeld.  De Hoge Raad (16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:55, V-N 2026/5.14) wijst de zaak terug naar het hof voor het alsnog beoordelen van het standpunt van de inspecteur dat de leveringsvoorwaarde DDP in werkelijkheid niet is overeengekomen.

Hof Amsterdam oordeelt dat aannemelijk is dat X BV met haar Indonesische leverancier in werkelijkheid niet de leveringsvoorwaarde DDP is overeengekomen. Het feit dat X BV de opdracht voor het doen van de aangifte voor het vrije verkeer heeft gegeven en de omstandigheid dat zij opdracht heeft gegeven de aangifte in haar naam en voor haar rekening te doen, is namelijk niet in overeenstemming met de leveringsvoorwaarde. Dit vindt ook steun in de constatering van de inspecteur dat de prijs met de leveringsvoorwaarden DDP Rotterdam lager is dan de prijs (voor identieke goederen) die met een andere importeur is overeengekomen met de leveringsvoorwaarden CIF (Cost, Insurance, and Freight voor rekening van verkoper) Rotterdam. Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Communautair Douanewetboek (CDW) artikel 29

Communautair Douanewetboek (CDW) artikel 33

Instantie: Hof Amsterdam

Rubriek: Douane

Editie: 29 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

11

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen