De Hoge Raad geeft uitleg over de termijn voor het indienen van verzoeken om herziening, dit in het belang van de rechtsvorming en rechtseenheid.

Belanghebbende, X, dient bij de Hoge Raad een verzoek in tot herziening van het arrest van 19 september 2014, nr. 14/03124, Belastingblad 2014/434.

De Hoge Raad geeft uitleg over de termijn voor het indienen van verzoeken om herziening, dit in het belang van de rechtsvorming en rechtseenheid (zie ook ABRvS 28 januari 2015, nr. 201407367/2/A4, ECLI:NL:RVS:2015:310). De Hoge Raad overweegt dat op straffe van niet-ontvankelijkverklaring een verzoek om herziening niet onredelijk laat mag worden ingediend. Een verzoek is onredelijk laat wanneer het wordt ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Deze regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan deze termijn gebonden.

In het onderhavige geval is van een onredelijk laat ingediend verzoek geen sprake, maar dient het verzoek met toepassing van art. 81 Wet RO niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het verzoek rechtvaardigt namelijk geen behandeling in cassatie omdat het klaarblijkelijk niet tot herziening van voormeld arrest en derhalve niet tot cassatie kan leiden, aangezien het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden als bedoeld in art. 8:119 lid 1 van de Awb behelst.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 8:119

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Bronbelasting

Instantie: Hoge Raad

Editie: 23 februari

4

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen