Volgens de Hoge Raad heeft het hof onvoldoende duidelijk gemaakt of het volgens de maatstaf van BNB 2003/268 heeft beoordeeld of de desbetreffende bescheiden in redelijkheid van belang zouden kunnen zijn in het kader van de inlichtingenplicht..

Belanghebbende, X nv, is een naar Antilliaans recht opgerichte beleggingsvennootschap. De heer A heeft 85% van de aandelen en zijn kinderen de resterende 15%. A woont sinds 1994 in België. Naar aanleiding van een FIOD-onderzoek bij een instelling voor financiële dienstverlening ontvangt de inspecteur allerlei bescheiden die hem op het standpunt stellen dat X nv mogelijk belastingplichtig is in Nederland. De inspecteur verzoekt X herhaaldelijk om het overleggen van de administratie en ook worden aan X aangiftebiljetten vennootschapsbelasting uitgereikt over de jaren 2005 tot en met 2009. Op 24 juli 2012 verzoekt de inspecteur X nogmaals om de volledige administratie te overleggen. Naar aanleiding van een telefoongesprek met de gemachtigde van X geeft de inspecteur op 31 oktober 2012 de in geschil zijnde informatiebeschikkingen af. In geschil is of deze terecht zijn vastgesteld. De rechtbank verklaart het beroep van X gegrond en vernietigt de informatiebeschikkingen. De inspecteur komt in hoger beroep. Volgens Hof ‘s-Hertogenbosch zijn de aanwijzingen die de inspecteur voor de Nederlandse belastingplicht heeft dusdanig beperkt, dat het verder vragen van inlichtingen een "fishing expedition" wordt. Dit zou in strijd zijn met de strekking van art. 47 AWR. De aanwijzingen dat de feitelijke leiding van X mogelijk in Nederland gelegen zou kunnen zijn, dan wel dat X een vaste inrichting in Nederland heeft, zijn te mager. De informatiebeschikkingen worden vernietigd. Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond. De Staatssecretaris van Financiën komt in cassatie.

De Hoge Raad overweegt dat het hof bij zijn beoordeling van het geschil terecht als uitgangspunt heeft genomen het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2003, nr. 38122, BNB 2003/268. Uit dat arrest volgt dat voor het antwoord op de vraag of voor X nv op grond van art. 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken, voldoende is dat de inspecteur, in redelijkheid, een vermoeden moet hebben dat sprake is van belastingplicht in Nederland. Het hof ziet echter in de stukken, waarop de inspecteur zich beroept ter staving van zijn vermoeden, nog geen begin van bewijs dat mogelijk sprake is van het aanwezig zijn van de feitelijke leiding/vi/vv in Nederland. Volgens de Hoge Raad strookt deze verdergaande eis van het hof niet met het uitgangspunt van het arrest BNB 2003/268. Niet kan worden opgemaakt of het hof een juiste rechtsopvatting ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel. Vooral kan uit de uitspraak van het hof niet worden opgemaakt wat het hof van de inspecteur heeft verlangd voor het voeden van de veronderstelling dat X nv belastingplichtig is in Nederland. Het hof heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het beroep in cassatie is gegrond. Volgt verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden..

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet inzake rijksbelastingen 47

Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a

Editie: 21 december

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Informatiesoort: VN Vandaag

  86
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen