Rechtbank Zeeland-West-Brabant verwijst uit efficiëntie-overwegingen naar haar eerdere BPM-uitspraken. De redelijke termijn is wel overschreden, zodat voor alle samenhangende zaken één immateriële schadevergoeding van € 2000 wordt toegekend.

X doet BPM-aangifte voor negen uit andere EU-lidstaten afkomstige auto's. Na bezwaar is voor twee auto's een teruggaaf met rentevergoeding conform 30ha AWR gevolgd. Voor alle negen zaken staan dezelfde geschilpunten ter discussie, die echter ook reeds in eerdere beroepen aan de orde waren.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant verwijst uit efficiëntie-overwegingen naar die eerdere uitspraken (5 september 2019, 18/434, V-N Vandaag 2019/2018 en 18 september 2019, 18/526, V-N Vandaag 2019/2459). De toegekende rentevergoedingen zijn niet te laag en in deze procedure kan niet aan de orde komen of recht bestaat op rente over een langere periode. Het beroep van X is voor het overige ongegrond. Het oudste bezwaarschrift is op 28 april 2016 ontvangen, zodat de totale behandelduur 43 maanden is. De redelijke termijn is met 19 maanden overschreden. X krijgt voor alle zaken één immateriële schadevergoeding van € 2000 (zie HR 19 februari 2016, 14/03907, V-N 2016/13.4, rov. 3.10.2), alsmede één proceskostenvergoeding van € 768.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 8:75

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 6

Algemene wet inzake rijksbelastingen 30ha

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Bronbelasting, Belastingheffing van motorrijtuigen

Editie: 19 november

Informatiesoort: VN Vandaag

  488
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen