De civiele kamer van de Hoge Raad oordeelt dat op vergoedingsrechten tussen echtgenoten de verjaringstermijn van 20 jaar van toepassing is.

In 2004 is X op huwelijkse voorwaarden getrouwd met zijn partner. In 2016 zijn zij gescheiden. De partner stelt een vergoedingsvordering van € 76.400 in vanwege een vermogensverschuiving. De rechtbank heeft de vordering toegewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. X gaat in cassatie. Volgens X is op vergoedingsrechten uit hoofde van huwelijkse voorwaarden niet de verjaringstermijn van twintig jaar van toepassing, maar de verjaringstermijn van vijf jaar.

De Hoge Raad oordeelt dat op vergoedingsrechten tussen echtgenoten de verjaringstermijn van 20 jaar van art. 3:306 BW van toepassing is. De Hoge Raad overweegt dat ervan uit moet worden gegaan dat de aard van de huwelijksverhouding tussen echtgenoten zich verzet tegen toepassing van de korte verjaringstermijn van vijf jaar op vergoedingsrechten tussen echtgenoten. Van echtgenoten kan niet worden verwacht dat zij tijdens het huwelijk rechtsmaatregelen tegen elkaar treffen. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Burgerlijk Wetboek Boek 3 306

Burgerlijk Wetboek Boek 1 95

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Civiel recht algemeen

Instantie: Hoge Raad (Civiele kamer)

Editie: 3 februari

198

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen