Het Gerecht oordeelt dat het begrip ‘eigen behoeften’ niet ziet op de verkrijging van de Poolse tabakswaren door A en B met de bedoeling om deze kosteloos over te dragen aan hun familieleden in Duitsland. De hoeveelheid over te dragen tabakswaren is daarbij niet van belang.
Het Hof van Justitie oordeelt dat Slowakije voor de vaststelling van het pensioen van mijnwerker BD rekening moet houden met de tijdvakken tussen 1 januari 1993 en 31 augustus 1995. In deze periode heeft BD namelijk als mijnwerker in ondergrondse mijnen gewerkt in Tsjechië.
Het Hof van Justitie oordeelt dat de Portugese regeling, die voorziet in een automatische opschortende werking van beroepen tegen besluiten tot terugvordering van onrechtmatige steun, buiten toepassing moet worden gelaten.
Het Hof van Justitie oordeelt dat het niet in strijd met het EU-recht is dat Italië fiduciaire mandaten die worden afgesloten door fiduciaire vennootschappen naar Italiaans recht worden gerekend tot ‘andere soorten juridische constructies’ in de zin van art. 31 MLD4.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat zij voor een deel van de facturen kwalificeert als afnemer van de gefactureerde diensten. Voor een ander deel van de facturen maakt X niet aannemelijk dat B prestaties aan X heeft verricht.
De Hoge Raad is niet verplicht een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie wanneer een beroep op het Unierecht niet noodzakelijk is voor de oplossing van een aanhangig geschil, bij een acte éclairé of een acte clair.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X BV niet aannemelijk maakt dat goederen aan haar zijn geleverd. Er is geen enkel bewijs dat de facturen juist zijn en daadwerkelijke transacties betreffen.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de overdracht van voertuigen door X BV geen overgang van een algemeenheid van goederen vormt. De transactie kwalificeert daarom als een met omzetbelasting belaste levering.
Advocaat-generaal Ettema adviseert de Hoge Raad om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie EU. De A-G overweegt daarbij dat niet buiten redelijke twijfel is of het element ‘voorafgaande betaling van een premie’ aanwezig kan zijn in een situatie als bij X.
Het Gerecht oordeelt dat Oostenrijk niet in strijd handelt met het EU-recht door terugwerkende kracht te verlenen aan een rechterlijke beslissing over een BTI. De correctie werkt terug tot de datum waarop de douane de beschikking heeft gegeven.