De Hoge Raad is niet verplicht een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie wanneer een beroep op het Unierecht niet noodzakelijk is voor de oplossing van een aanhangig geschil, bij een acte éclairé of een acte clair.
Sinds HvJ 24 maart 2026, C‑767/23, ECLI:EU:C:2026:243 (Remling), V-N 2026/17.17 staat buiten kijf dat de niet-verwijzende hoogste nationale EU-rechter ‘specifiek en concreet’ moet uiteenzetten waarom een van de hiervoor genoemde ‘CILFIT-situaties’ van toepassing is.
Deze arbeidsintensieve vrijbrief om geen vragen te stellen, leidt in de uitvoering tot een dilemma. Hoogste rechters moeten ook bij enige mate van twijfel over de uitleg van een vraag van Unierecht hom of kuit geven. De Hoge Raad kan niet meer een ‘betere’ zaak afwachten zonder specifiek en concreet te motiveren waarom hij in de aanhangige zaak afziet van prejudiciële vragen. De wil om zaken ‘dan maar’ zelf op te lossen kan de overhand krijgen. Het is immers niet zo dat arresten van het Hof van Justitie in alle gevallen de Hoge Raad (en de praktijk) verder helpen. Denk aan het palet aan ‘vaste rechtspraak’ voorafgaand aan een oordeel waarin het soms zoeken is naar een consistente lijn. Ik vermoed dan ook dat de Hoge Raad bij een opgeworpen vraag van Unierecht (nog meer) de balans gaat opmaken tussen, enerzijds, de moeite die het kost om de ‘juiste’ prejudiciële vraag te formuleren (met de grootste kans op een nuttig antwoord) en, anderzijds, de mate waarin hij (populair gezegd) ‘wegkomt’ met het uitschrijven van de acte (é)clair(é). Of een opgeworpen vraag van Unierecht in meerdere zaken speelt en/of de financiële en maatschappelijke gevolgen in een individueel geval substantieel zijn, is bij die afweging waarschijnlijk een factor van belang.
Na het arrest-Remling kan het risico op een infractieprocedure van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) zwaarder meetellen dan voorheen. Wattel ziet in het arrest-Remling een poging van het Hof van Justitie om de (hoogste rechters in de) lidstaten die de rule of law actief ondermijnen zo weinig mogelijk ruimte te laten om EU-(grond)rechten te negeren (NJB 2026/696). Daarvoor heeft het Hof van Justitie de hulp van de Commissie nodig, omdat enkel die instelling kan handhaven bij niet-nakoming van de op lidstaten krachtens de verdragen rustende verplichtingen.
Voor een schending van art. 267 VWEU is nodig dat niet kan worden uitgesloten dat op het moment van niet-verwijzing redelijkerwijze ruimte aanwezig was voor twijfel over deze uitlegging (vergelijk HvJ 4 oktober 2018, C-416/17, ECLI:EU:C:2018:811 (CIE/Frankrijk), BNB 2019/95, punt 112). Dat aantonen kost tijd en menskracht. Een infractieprocedure ligt dan ook pas voor de hand bij structurele weigering om prejudiciële vragen te stellen. Het alternatief, ieder incident aanpakken, leidt tot onevenredige werklast bij de Commissie, de lidstaten en het Hof van Justitie. De infractieprocedure boet bovendien aan effectiviteit in wanneer het gebruik van dat instrument niet leidt tot bevestiging van schending van art. 267 VWEU. Daarom laat mij de vraag niet los of het arrest-Remling – naast de uitgeschreven CILFIT-situatie – ook gaat bijdragen aan meer rechterlijk dialoog die het Unierecht moet verder brengen.
Informatiesoort: Uitvergroot
Rubriek: Europees belastingrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht