X en Y dienen verzoeken om ambtshalve vermindering IB/PVV 2018, 2019 en 2020 in, waarin zij verzoeken om toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De inspecteur beslist pas na een ingebrekestelling, wijst de verzoeken af en kent geen dwangsom toe. X en Y gaan in beroep wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank behandelt de zaken gelijktijdig met andere lopende procedures en maakt afzonderlijke zaaknummers aan. In geschil is of de inspecteur een dwangsom moet betalen wegens niet tijdig beslissen en of samenhang één dwangsom rechtvaardigt.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de inspecteur ten onrechte geen dwangsom toekent. De inspecteur beslist pas na afloop van de termijn na ingebrekestelling, zodat X en Y recht hebben op een dwangsom. De rechtbank stelt vast dat alle verzoeken gelijktijdig zijn ingediend, gelijktijdig zijn behandeld en inhoudelijk dezelfde kwestie over toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting betreffen. Daarom bestaat samenhang en geldt één dwangsom van € 1.442. De rechtbank verdeelt dit bedrag gelijk over de vier samenhangende zaken, waardoor in de onderhavige zaken recht bestaat op € 360,50 per zaak. De beroepen zijn gegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 4.17
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 19 mei
Informatiesoort: VN Vandaag