X BV handelt in restpartijen en stelt in 2020 voor ruim € 600.000 aan goederen te hebben gekocht van bedrijf Y, die door haar vervolgens aan een afnemer in Frankrijk zijn verkocht. Alle transacties zijn volgens X met contant geld en zonder kwitanties voldaan. De aandeelhouder van Y ontkent dat hij goederen aan X BV heeft geleverd. Volgens de inspecteur zijn de verstrekte inkoopfacturen vals. In geschil is of X BV op recht heeft op aftrek van voorbelasting.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X BV niet aannemelijk maakt dat goederen aan haar zijn geleverd. Er is geen enkel bewijs dat de facturen juist zijn en daadwerkelijke transacties betreffen. Aftrek van voorbelasting is niet mogelijk. Zelfs in het geval dat X BV aannemelijk had gemaakt dat leveringen hebben plaatsgevonden kan het nultarief niet worden toegepast. De reden hiervoor is dat niet aannemelijk is dat sprake is geweest van vervoer naar een andere lidstaat in het kader van de levering van X BV aan de afnemer in Frankrijk. Ook de beroepen van X BV op het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van misbruik van bevoegdheid slagen niet. De beroepen van X BV zijn ongegrond.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 9
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 15
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 35
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Omzetbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 19 mei
Informatiesoort: VN Vandaag