Het Hof van Justitie oordeelt dat een aanpassing van de verrekenprijs van motorvoertuigen binnen concernverband geen tegenprestatie vormt voor een ‘levering van diensten onder bezwarende titel’. Daarbij geldt onder andere dat deze aanpassing naar behoren is vastgelegd in een overeenkomst en blijkt uit nota’s.

Stellantis Portugal, S.A. maakt onderdeel uit van het General Motors-concern. Dit concern is actief in de handel, productie en distributie van voertuigen. Stellantis koopt de voertuigen van de Europese fabrikanten van de GM-groep en verkoopt ze door aan onafhankelijke Portugese dealers, die deze voertuigen vervolgens aan eindafnemers verkopen. Wanneer sprake is van fabrieksfouten repareert de dealer de fouten en worden de kosten bij Stellantis in rekening gebracht en wordt de BTW over deze dienst betaald. Stellantis brengt dan vervolgens de kosten weer in rekening bij de Europese fabrikanten. In dergelijke gevallen wordt de prijs van de voertuigen, achteraf, aangepast op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst. De Europese fabrikanten stellen daartoe een nota op naam van Stellantis op. De Portugese Belastingdienst is ten aanzien van de reparaties van mening dat Stellantis binnenlandse diensten aan de Europese fabrikanten heeft verleend die aan BTW zijn onderworpen. Stellantis is het daar niet mee eens. De Portugese rechter stelt een prejudiciële vraag in deze zaak. In geschil is wat de gevolgen voor de BTW zijn van verrekenprijzen binnen concernverband.

Het Hof van Justitie oordeelt dat een aanpassing van de verrekenprijs van motorvoertuigen binnen concernverband geen tegenprestatie vormt voor een ‘levering van diensten onder bezwarende titel’ in de zin van art. 2 Zesde BTW-richtlijn. Daarbij geldt dat deze aanpassing naar behoren is vastgelegd in een overeenkomst en blijkt uit nota’s. Verder moet deze aanpassing zijn berekend op basis van met name de kosten die de verwervende onderneming heeft gemaakt in het kader van de reparatie van die voertuigen door derden. Een en ander geldt niet als tussen deze ondernemingen een rechtsbetrekking bestaat die wordt gekenmerkt door wederzijdse verplichtingen waardoor een rechtstreeks verband kan worden vastgesteld tussen de verlening van deze diensten en de aanpassing.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Zesde Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting artikel 2

Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie

Rubriek: Europees belastingrecht, Omzetbelasting

Editie: 18 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

14

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen