Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat belanghebbende met het indienen van het verzoek om btw-teruggaaf mocht wachten tot de liquidatie van B bv. Op dat moment was namelijk duidelijk dat betaling in rechte niet meer kon worden gevorderd.

A bv houdt de aandelen in L bv, T bv en B bv. Per 1 januari 2010 neemt T bv de activa, passiva en de activiteiten van L bv volledig over. A bv houdt per 31 december 2015 op te bestaan, waardoor de fiscale eenheid tussen A bv en T bv op die datum wordt ontbonden. Vanaf 1 januari 2016 verkrijgt H bv een 100% belang in T bv en B bv. H bv en T bv vormen vanaf die datum een f.e. voor de btw (belanghebbende). T bv en L bv verkrijgen in de jaren 2002 - 2010 vorderingen op B bv. Rond 2010 wordt duidelijk dat B bv deze voorderingen niet kan voldoen. In verband met de liquidatie van B bv op 1 april 2016, verzoekt belanghebbende om teruggaaf van de reeds afgedragen btw ex art. 29 Wet OB 1968. De inspecteur is echter van mening dat het verzoek van belanghebbende te laat is ingediend.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat belanghebbende haar verzoek om teruggaaf van de btw tijdig heeft ingediend. Zij mocht hiermee wachten tot de liquidatie van B bv, omdat op dat moment duidelijk was dat betaling in rechte niet meer kon worden gevorderd. Dat in 2009/2010 ook al wel duidelijk was dat B bv niets zou betalen, is niet van belang. Verder is de rechtbank ook van mening dat er geen sprake is van fraude, zodat X bv recht heeft op een btw-teruggaaf van € 60.769.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de omzetbelasting 1968 31

Wet op de omzetbelasting 1968 29

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Omzetbelasting

Editie: 9 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

  223
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen