Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat belanghebbende geen borgstellingsverlies kan aftrekken omdat zij zonder borgstellingsovereenkomst niet aannemelijk kan maken dat zij door de bank is aangesproken. Een brief van de bank voldoet niet als bewijs.

Belanghebbende, X, en haar echtgenoot bezitten samen onroerende zaken, waarop eind 2017 hypotheekrechten van € 320.000 rustten. De echtgenoot is 100% aandeelhouder en enig bestuurder van een in 2015 failliet gegane bv. X maakt bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2018 middels een herziene aangifte, waarin zij € 112.500 aan negatief loon aangeeft. In geschil is of de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

De rechtbank oordeelt dat de aanslag correct is vastgesteld omdat X geen recht heeft op aftrek van een bedrag van € 112.500. Volgens X heeft zij recht op aftrek omdat zij is aangesproken als borgsteller voor schulden van de failliete bv en € 112.500 heeft betaald aan de bank. Dit zou blijken uit een brief van de bank. Volgens de rechtbank maakt zij niet aannemelijk dat zij is aangesproken door de bank omdat zij geen borgstellingsovereenkomst kan overleggen. Het beroep van belanghebbende is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.90

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Editie: 14 april

3

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen