X en zijn vrouw zijn in privé failliet verklaard. In 2019 en 2020 verricht X werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur voor vennootschappen van zijn kinderen. In verband met zijn faillissement wil X geen inkomen op eigen naam genereren. De inspecteur stelt dat X met deze werkzaamheden resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) geniet en legt aan hem IB-(navorderings)aanslagen over 2019 en 2020 op. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X met zijn werkzaamheden als chauffeur heeft beoogd een voordeel te behalen en daarom resultaat uit overige werkzaamheden geniet. X gaat in hoger beroep.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de door X verrichte chauffeurswerkzaamheden een overige werkzaamheid vormen. De inkomsten moeten daarom bij X in de IB-heffing worden betrokken op grond van de artt. 3.90 en 3.94 Wet IB 2001. Volgens het hof vormen de chauffeurswerkzaamheden een bron van inkomen, omdat X deelneemt aan het economische verkeer. Verder beoogt X ook voordeel en is dat voordeel objectief te verwachten. Dat X slechts een klein deel van het daadwerkelijk met de chauffeurswerkzaamheden behaalde voordeel zelf heeft (willen) ontvangen doet daar niet aan af. Het hof overweegt dat de inspecteur aannemelijk maakt dat X zijn chauffeurswerkzaamheden voor de BV niet in dienstbetrekking heeft verricht, omdat van een gezagsverhouding tussen de BV en X geen sprake is. De inspecteur maakt de in aanmerking genomen bedragen aannemelijk. De aanslagen blijven in stand.
Wetingang:
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 14 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag