Rechtbank Rotterdam oordeelt dat de beroepsfout van K niet tot gevolg heeft gehad dat er veel meer belasting aan de zijde van X BV en Y BV is geheven dan op basis van de fiscale regelgeving materieel bezien gerechtvaardigd kan worden geacht. K moet zowel X BV als Y BV € 7600 betalen.

X BV en Y BV zijn de persoonlijke houdstervennootschappen van A en B. In 2015 begeleidt maatschap K een herstructurering van een groep vennootschappen waarvan C de eigenaar is. K moet de deelname van X BV en Y BV in een onderneming zodanig structureren dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. Een en ander wordt aan de Belastingdienst voorgelegd die de fiscale gevolgen bevestigd. A en B geven vervolgens de notaris de opdracht om hun deelname aan te passen. Hierdoor hebben X BV en Y BV ieder nog maar slechts een belang van 1%, zodat niet wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling. K geeft vervolgens akkoord aan de notaris op de ontwerpaktes. In 2022/2023 verkopen X BV en Y BV hun aandelen in de onderneming en realiseren daarbij ieder een verkoopwinst van € 800.000. In 2025 stelt de Belastingdienst vast dat de deelnemingsvrijstelling ten onrechte is toegepast en legt VPB-aanslagen op naar bedragen van € 243.000 en € 228.000. In geschil is in hoeverre K door de door haar gemaakte beroepsfout aansprakelijk is voor de door X BV en Y BV geleden schade. X BV stelt dat haar schade € 250.000 bedraagt en Y BV stelt dat haar schade € 233.000 bedraagt.

Rechtbank Rotterdam oordeelt dat de beroepsfout van K niet tot gevolg heeft gehad dat er veel meer belasting aan de zijde van X BV en Y BV is geheven dan op basis van de fiscale regelgeving materieel bezien gerechtvaardigd kan worden geacht. K moet zowel X BV als Y BV € 7600 betalen. De rechtbank overweegt daarbij dat de afspraken tussen C en X BV en Y BV in 2020 zodanig zijn gewijzigd dat dit forse fiscale gevolgen heeft gehad. Verder merkt de rechtbank op dat de Belastingdienst bij een juiste en volledige voorstelling van zaken het aandelenbelang van X BV en Y BV hoogstwaarschijnlijk als lucratief belang zou hebben belast tegen het IB-tarief. De stelling van X BV en Y BV dat de Belastingdienst tot de conclusie is gekomen dat er zakelijk is gehandeld, en dat er geen sprake is van een te belasten lucratief belang of een persoonlijke bevoordeling, mist volgens de rechtbank een deugdelijke onderbouwing.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Burgerlijk Wetboek

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 13

Instantie: Rechtbank Rotterdam

Rubriek: Vennootschapsbelasting

Editie: 14 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

15

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen