X is erfpachter van een woning en staat sinds 2018 op dat adres ingeschreven in de BRP. De heffingsambtenaar legt een aanslag forensenbelasting 2021 op. X doet aangifte toeristenbelasting voor 399 overnachtingen in 2021. De echtgenoot van X staat op een ander adres ingeschreven. X en haar echtgenoot hebben in een zienswijze op een ontwerpbestemmingsplan de woning als recreatiewoning aangemerkt. De rechtbank verklaart het beroep van X tegen de aanslag ongegrond.
In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag forensenbelasting 2021 terecht heeft opgelegd, meer specifiek of X haar hoofdverblijf in de woning heeft.
Hof Den Bosch oordeelt dat een redelijke bewijslastverdeling meebrengt dat X aannemelijk moet maken dat zij haar hoofdverblijf in de woning heeft. X is daar niet in geslaagd. Het hof overweegt dat X regelmatig bij haar echtgenoot elders verblijft in verband met werk, zij de woning een aanzienlijk deel van het jaar verhuurt en geen inzicht heeft gegeven in de tijdsverdeling tussen beide verblijfplaatsen. Het verzoek in een zienswijze om de woning als recreatiewoning aan te merken sluit niet aan bij de stelling dat dit haar hoofdverblijf is. Het sociale leven, het nutsverbruik en de BRP-inschrijving zijn onvoldoende. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
Wetingang:
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Belastingen van lagere overheden
Editie: 14 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag