X is een voormalig beroepschauffeur. Hij ontvangt een pensioenuitkering en een uitkering van het Uwv. Daarnaast ontvangt hij sinds 2008 ook nog een AO-uitkering. Naar aanleiding van een boekenonderzoek bij A BV, een voormalige werkgever van X, worden IB-navorderingsaanslagen opgelegd aan X. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur met de gegevens uit de boekhouding van A BV voldoende duidelijk maakt dat X inkomsten heeft genoten uit voor A BV verrichte werkzaamheden. X gaat in hoger beroep. De hoger beroepen worden op 5 maart 2026 ter zitting inhoudelijk behandeld. Op 6 maart 2026 dient X vervolgens een verzoek in voor het treffen van een voorlopige voorziening. X verzoekt daarbij onder andere om alsnog de door hem in de hoofdzaak aangeboden getuige te horen en om de inspecteur te verplichten om alle ontbrekende dossierstukken te overleggen aan het hof.
De voorzieningenrechter van Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat een voorlopige voorziening niet het geschikte middel is om te beslissen op een getuigenaanbod en/of de stellingen van X over het ontbreken van dossierstukken. Volgens de voorzieningenrechter is het aan de hoofdkamer om in de hoofdzaak het getuigenaanbod en de stellingen van X over het ontbreken van dossierstukken in de hoofdzaak te beoordelen. De voorzieningenrechter merkt verder nog op dat X zijn verzoek heeft gedaan nadat de hoofdkamer de hoofdzaak ter zitting heeft behandeld en in de hoofdzaak het onderzoek heeft gesloten. X maakt het spoedeisende belang niet aannemelijk. Het verzoek wordt afgewezen.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.81
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.90
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 14 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag