Het Hof van Justitie EU oordeelt dat de Poolse BTW-regeling bij een keten van opeenvolgende transacties niet in strijd is met het EU-recht. Onder omstandigheden is deze regeling echter wel in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van fiscale neutraliteit.

Het Nederlandse B is ook in Polen onderworpen aan de BTW-heffing. B treedt op als tussenhandelaar in een keten van transacties, waarbij zij goederen koopt van het Poolse BOP, met vermelding van haar Poolse BTW-identificatienummer, en die goederen vervolgens weer verkoopt aan haar afnemers in andere lidstaten. B beschouwt de transactie met BOP als binnenlandse levering en de levering aan haar afnemers als een ICL. Dit leidt tot een belastingteruggaaf. Volgens de Poolse Belastingdienst heeft B de transacties echter onjuist gekwalificeerd. Volgens de fiscus moet het vervoer van de goederen namelijk worden toegerekend aan de levering van BOP aan B. Dit vormt voor BOP dan een intracommunautaire levering van goederen en voor B een intracommunautaire verwerving van goederen. De Poolse rechter vraagt zich echter af of de dubbele belastingheffing die voortvloeit uit de zienswijze van de fiscus in strijd is met het EU-recht en stelt een prejudiciële vraag in deze zaak.

Het Hof van Justitie EU oordeelt dat de Poolse BTW-regeling bij een keten van opeenvolgende transacties niet in strijd is met het EU-recht. Deze regeling is echter wel in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van fiscale neutraliteit. Dit is het geval wanneer de intracommunautaire verwerving van goederen die wordt geacht in Polen te zijn verricht, voortvloeit uit een intracommunautaire levering van goederen die in Polen niet als een vrijgestelde handeling is behandeld.

[Nieuwsbron]

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Europees belastingrecht, Omzetbelasting

Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie

Editie: 11 juli

63

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen