Rechtbank Den Haag oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gemaakte kosten zijn aan te merken als aanschaffings- of voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel. Reeds daarom kan de herinvesteringsreserve niet voor deze doeleinden worden aangewend.

X en zijn broer zijn vennoten in een VOF. De VOF verkoopt in 2010 grond en opstallen aan de gemeente. De broers vormen hiervoor een herinvesteringsreserve van € 1.175.745. De Belastingdienst verleent toestemming om de termijn voor herinvestering te verlengen tot 31 december 2014. X neemt in zijn aangifte 2014 op dat de herinvesteringsreserve is afgenomen tot € 183.000 zonder een vrijval in aanmerking te nemen. De inspecteur corrigeert de winst met een belaste vrijval herinvesteringsreserves minus additionele kosten. De correctie van de herinvesteringsreserve betreft een “onbelaste” vrijval van € 151.332, de resterende herinvesteringsreserve per 31 december 2014 van € 183.000 en gemaakte kosten ter grootte van € 437.940.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat bij gebrek aan motivering en zonder toestemming van de inspecteur om de termijn verder te verlengen dan 31 december 2014 de bedragen van € 151.332 en € 183.000 belast vrijvallen. Met betrekking tot de gemaakte kosten van € 437.940 is niet aannemelijk gemaakt dat deze zijn aan te merken als aanschaffings- of voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel. Deze kosten zijn ook niet als algemene kosten aftrekbaar door gebrek aan onderbouwing met objectieve gegevens, zoals facturen. Het beroep is ongegrond.

Lees ook het thema Herinvesteringsreserve: onbelaste boekwinst voor herinvesteren in nieuwe bedrijfsmiddelen.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.54

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 20 november

Informatiesoort: VN Vandaag

392

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen