De Kennisgroep loonheffing algemeen stelt dat de bijzondere invaliditeitsverhoging niet kwalificeert als loon, maar als periodieke uitkering voor de inkomstenbelasting.

Militairen hebben, als sprake is van invaliditeit van 10% of hoger door een dienstongeval, na ontslag recht op een militair invaliditeitspensioen. Daarbij kunnen militairen onder voorwaarden ook in aanmerking komen voor een bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV) in de vorm van een forfaitaire vergoeding die oploopt naarmate de militair meer invalide is. De vraag rijst of een BIV belast loon ex art. 10 Wet LB 1964 vormt. De kennisgroep beantwoordt de vraag negatief. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid op het uitgangspunt dat een vergoeding van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht geen loon vormt, in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2022, 21/01143, BNB 2022/81, V-N 2022/15.7, omdat de regeling onvoldoende argumenten geeft om te onderbouwen dat de BIV meer bedraagt dan datgene waar de werkgever toe verplicht is op grond van zijn aansprakelijkheid. Daarentegen kwalificeert de BIV wel als een periodieke uitkering voor de inkomstbelasting, waarover de inhoudingsplichtige bij uitbetaling loonheffing in moet houden.

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.1

Wet inkomstenbelasting 2001 3.100

Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 11

Wet op de loonbelasting 1964 10

[Nieuwsbron]

Rubriek: Inkomstenbelasting, Loonbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 7 februari

Informatiesoort: VN Vandaag

163

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen