Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de aanslag niet berust op een redelijke schatting. De onderbouwing dat de schatting is gebaseerd op het inkomen dat iemand in zijn algemeenheid per jaar nodig heeft om van te kunnen leven, is niet voldoende.

X is een handelaar in metalen en de bestuurder van een stichting. Over 2018 zijn er geen inkomsten van X bekend en hij doet geen aangifte IB/PVV, ondanks herinnering en aanmaning. De inspecteur legt ambtshalve een aanslag op naar een geschat inkomen van € 45.000 en een vergrijpboete van 50%. X dient in 2021 alsnog een aangifte IB/PVV 2018 in, waarin hij geen inkomsten vermeldt. Bij uitspraak op bezwaar handhaaft de inspecteur de aanslag en vergrijpboete.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de aanslag niet berust op een redelijke schatting. De onderbouwing dat de schatting is gebaseerd op het inkomen dat iemand in zijn algemeenheid per jaar nodig heeft om van te kunnen leven, is niet voldoende. De rechtbank stelt het inkomen vast op € 16.800, zijnde een bedrag rond bijstandsniveau. De vergrijpboete is terecht opgelegd wegens het opzettelijk niet doen van aangifte, maar de rechtbank matigt de boete tot € 500.

Lees ook het thema De aangifteverplichting in de AWR.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet inzake rijksbelastingen 67d

Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 17 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

665

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen