Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur niet onrechtmatig handelt bij het opleggen van aanslagen VPB en wijst het verzoek om schadevergoeding op grond van art. 8:88 Awb af.

X BV stelt de inspecteur aansprakelijk voor schade die zij en haar DGA lijden doordat de inspecteur de hoogte van de pensioenuitkering aan de DGA naar beneden heeft bijgesteld. In dat verband legt de inspecteur aan X BV aanslagen VPB op voor de jaren 2016, 2017, 2020, 2021 en 2022, en aan de DGA een navorderingsaanslag IB/PVV 2015. De aanslagen VPB 2016 en 2017 staan onherroepelijk vast en zijn juist. X BV stelt dat de inspecteur onrechtmatig handelt en verzoekt vergoeding van advieskosten, reis- en parkeerkosten en gederfde inkomsten die zij maakt voor de bezwaar- en beroepsprocedures. De inspecteur wijst de aansprakelijkstelling af, waarna X BV een verzoekschrift indient bij de rechtbank.

In geschil is of X BV recht heeft op vergoeding van de door haar gestelde materiële en immateriële schade op grond van art. 8:88 Awb.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat van onrechtmatig handelen door de inspecteur geen sprake is. De aanslagen VPB 2016 en 2017 staan onherroepelijk vast als juist en de aanslagen VPB 2020, 2021 en 2022 zijn ook terecht en naar juiste bedragen opgelegd. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de gestelde schade, bestaande uit advieskosten, reis- en parkeerkosten en gederfde inkomsten voor bezwaar- en beroepsprocedures, uitsluitend via art. 8:75 Awb voor vergoeding in aanmerking komt. Voor zover X BV namens de DGA schadevergoeding verzoekt inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2015, geldt dat art. 8:88 Awb niet van toepassing is in inkomstenbelastingzaken.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.88

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 6 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

17

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen