Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat Stichting X het restaurant voor haar eigen rekening en risico exploiteert. De gestelde verpachting en reverse factoring vormen volgens het hof slechts een papieren werkelijkheid.

Y is oprichter/enig bestuurder van Stichting X. Y is tevens indirect bestuurder van A BV, waarvan X de enig aandeelhouder is. A BV sluit ten aanzien van een door haar vanaf 2017 gehuurd restaurant pachtovereenkomsten met diverse bedrijven. Bij een eerste controle door de Belastingdienst is geconstateerd dat A BV daarom terecht geen loonheffing en BTW heeft afgedragen. Later stelt de inspecteur vast dat restaurantomzet op de bankrekening van X binnenkomt, dat X lonen aan het personeel uitbetaalt en overige kosten van het restaurant betaalt. In geschil is of aan X terecht VPB-aanslagen over 2017 en 2018 zijn opgelegd. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X door de exploitatie van het restaurant VPB-plichtig is. X gaat in hoger beroep.

Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat X het restaurant voor haar eigen rekening en risico exploiteert. De gestelde verpachting en reverse factoring vormen volgens het hof slechts een papieren werkelijkheid. Gesteld noch gebleken is dat ter zake van het met de exploitatie van het restaurant behaalde resultaat een afrekening heeft plaatsgehad met een pachter. Voor 2017 maakt de inspecteur op basis van een gemotiveerde schatting aannemelijk dat de aanslag niet te hoog is. Voor 2018 wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. X toont niet overtuigend aan dat de aanslag te hoog is. De winst van dat jaar is door de inspecteur redelijk geschat, mede rekening houdend met de ervaringsregel dat in 2018 45% van de horecaomzet nog contant werd betaald. Het beroep van X is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 2

Instantie: Hof 's-Hertogenbosch

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Vennootschapsbelasting

Editie: 12 oktober

Informatiesoort: VN Vandaag

63

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen