Inleiding

Bijgewerkt op 12 september 2023

In een Kamerbrief van 15 april 2022 beschreef de staatssecretaris de hoofdlijnen van het toekomstig box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement. In een Kamerbrief van 29 september 2022 gaf hij uitvoering aan een aantal moties en toezeggingen over het toekomstige box 3-stelsel. In een Kamerbrief over toekomstig box 3-stelsel (9-2-2023 • 2023-0000024885) werd nogmaals beschreven dat voor een rechtvaardigere belastingheffing het volgens het kabinet nodig is om richting een stelsel te gaan op basis van werkelijk rendement. Eind april 2023 onderzocht het kabinet nog een combinatie van varianten voor het belasten van onroerende goed (Kamerbrief verfijningen box 3 • 26-04-2023 • 2023-0000101431).

1. Contourennota 15 april 2022

Bijgewerkt op 12 september 2023

In de Kamerbrief over contourennota voor box 3-heffing op basis van werkelijk rendement • 15-04-2022 (V-N 2022/19.3werden de contouren voor het voorstel van de belastingheffing vanaf 2025 beschreven. Het voorstel was een vermogensaanwasbelasting waarbij reguliere inkomsten en waardeontwikkelingen in box 3 belast worden. Uit de Kamerbrief konden de volgende contouren ontleend worden:

  • Voor de waardes van spaar- en beleggingsproducten wordt aangesloten bij de door de financiële instellingen te verstrekken financiële jaaroverzichten.
  • De waardes van onroerende zaken worden vanaf 2025 aanvankelijk nog forfaitair belast. Op een later moment zal de waarde op basis van de werkelijke waarde belast worden.
  • De rente op vorderingen en schulden zal als positief inkomen belast zijn bij de schuldeiser en als negatief inkomen aftrekbaar bij de schuldenaar. Kwijtschelding leidt tot een positieve vermogensmutatie bij de schuldenaar en een negatieve vermogensmutatie bij de schuldeiser. Af- en opwaardering leidt alleen bij de schuldeiser tot een vermogensmutatie.
  • Er wordt nog onderzocht hoe de belastingheffing over het werkelijke rendement voor overige bezittingen vormgegeven kan worden.
  • Ook wordt nog onderzocht welke kosten eenduidig zijn toe te wijzen aan de inkomsten uit vermogen en aftrekbaar zijn en welke kosten als niet aftrekbaar moeten worden beschouwd.
  • Verrekening van verliezen in box 3 zal waarschijnlijk alleen binnen box 3 mogelijk zijn. De termijn van verliesverrekening moet nog worden onderzocht.
  • Er komt een heffingsvrij inkomen. De hoogte hiervan is nog niet bekend.
  • Ook het tarief (vlaktaks, progressief, hoogte?) is nog niet bekend.
  • De huidige vrijstellingen blijven zoveel mogelijk gehandhaafd, tenzij deze overgang aanleiding is om de vrijstelling anders vorm te geven of af te schaffen.
  • Er zijn nog een groot aantal technische vraagstukken die nog nader onderzocht worden. Het gaat daarbij onder meer om:
    • onzakelijke elementen bij het belasten van het werkelijke rendement,
    • verhouding met de schenk- en erfbelasting bij kwijtschelden van vorderingen,
    • liquiditeitseffecten bij heffing over niet-gerealiseerde waardemutaties,
    • bestanddelen die gesplitst zijn in blooteigendom en vruchtgebruik,
    • arbitrage-effecten die optreden door de gewijzigde verhouding waarop inkomsten uit vermogen worden belast ten opzichte van andere regimes, zoals box 2,
    • positie van binnenlandse belastingplichtigen met vermogen in het buitenland of buitenlandse belastingplichtigen,
    • de gevolgen van persoonlijke omstandigheden zoals het aangaan en beëindigen van een fiscaal partnerschap, overlijden en migratie.

Mede aan de hand van bovenstaande contouren zou een conceptwetsvoorstel ter internetconsultatie worden aangeboden. Het voornemen was om het wetsvoorstel uiteindelijk voor het zomerreces 2023 aan de Tweede Kamer een te bieden.

Op 9 juni 2022 beantwoordde Staatssecretaris Van Rij feitelijke vragen van de vaste commissie voor Financiën naar aanleiding van de contourennota box 3-heffing op basis van werkelijk rendement (Antwoorden op feitelijke vragen contourennota box 3-heffing op basis van werkelijk rendement • 09-06-2022 en Kamervragen over feitelijke vragen contourennota box 3-heffing • 09-06-2022 • 2022-0000160751, V-N 2022/27.24.5). Hieruit bleek onder meer dat op dat moment werd nagedacht over de vormgeving van een verliesverrekening. De staatssecretaris gaf aan dat het voor de hand ligt om de verliesverrekening zo vorm te geven dat verliezen uitsluitend kunnen worden verrekend met de box 3-inkomsten uit andere jaren.

Uit de antwoorden volgde verder dat de waardeontwikkeling van vastgoed eerst nog forfaitair zal worden belast, waarbij zo snel mogelijk de overstap wordt gemaakt naar werkelijk rendement. Naar de invulling van de forfaitaire vaststelling werd op dat moment onderzoek gedaan. Zolang de waardeontwikkeling van onroerende zaken in box 3 forfaitair wordt belast, worden de kosten die rechtstreeks samenhangen met deze waardeontwikkeling ook via een kostenforfait in aanmerking genomen. Op dat moment werd ook onderzoek gedaan naar de kostensoorten in een kostenforfait.

Bij de vormgeving van het nieuwe stelsel zou daarnaast aandacht worden besteed aan de eventuele mogelijkheid tot planning of arbitrage door het beïnvloeden van de omvang van de reguliere voordelen, bijvoorbeeld het uitlenen van geld door ouders aan kinderen tegen een rente die lager is dan de marktrente en de negatieve waardeontwikkelingen van vorderingen bij kwijtschelden van financieel volwaardige vorderingen in gelieerde verhoudingen.

2. Planning

Bijgewerkt op 27 juni 2023

Staatssecretaris Van Rij schetste op 25 juni 2022 in een Kamerbrief nog de planning om in 2025 te komen tot een box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement (Kamerbrief over planning Box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement per 2025 • 25-06-2022 • 2022-0000172543, V-N 2022/31.5).

Op 5 september 2022 is een verschuiving van de ingangsdatum naar 2026 bekendgemaakt (Nieuwsbericht Nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement naar 2026 • 05-09-2022 en Kamerbrief stand van zaken box 3 • 05-09-2022 • 2022-0000218586).

De uitspraak over box 3 van de Hoge Raad was reden om opnieuw een extern onderzoek te laten doen door Capgemini naar de haalbaarheid van het tijdpad voor invoering in 2025. Uit dit onderzoek volgt dat de al gesignaleerde risico’s zijn toegenomen en dat er aanvullende risico’s zijn bijgekomen. Capgemini acht een succesvolle implementatie in 2025 daarom niet realistisch. In het nadere onderzoek is rekening gehouden met de actuele stand van alle zaken die van invloed zijn op het tijdpad, zoals het wetgevend traject, de modernisering van het ICT-landschap van de informatievoorziening bij de Belastingdienst en de samenwerking met de ketenpartners, zoals banken en verzekeraars.

In een interview met NRC geeft staatssecretaris Marnix van Rij aan dat de nieuwe heffing op zijn vroegst per 2027 kan worden ingevoerd (Van Rij: nieuwe box 3-stelsel pas haalbaar vanaf 2027 • 23-03-2023 • TaxLive.nl). Dit wordt bevestigd in de Kamerbrief verfijningen box 3 • 26-04-2023 • 2023-0000101431. Het uitstel naar 2027 is ook in de Voorjaarsnota 2023 • 28-04-2023 opgenomen.

Dit betekent dat, net als in de jaren 2023, 2024 en 2025, waarschijnlijk ook in 2026 de box 3-heffing nog plaats zal vinden op basis van de forfaitaire spaarvariant.

Bij de aanname van het wetsvoorstel Belastingplan 2023 in de Tweede Kamer is een motie aangenomen waarin de regering verzocht wordt met een strategisch bestuurlijk kader te komen over hoe wordt geborgd dat invoering van een stelsel over daadwerkelijk rendement zo snel mogelijk wordt gerealiseerd en vertraging wordt voorkomen (Motie over een strategisch bestuurlijk kader voor de borging van de invoering van een stelsel over daadwerkelijk rendement • 09-11-2022 • 36202-100).

In een Kamerbrief over toekomstig box 3-stelsel (9-2-2023 • 2023-0000024885) schetst de staatssecretaris een planning voor het wetgevingstraject op basis van een vermogensaanwasbelasting. In die planning wordt de concept-wetgeving in het eerste kwartaal 2023 voor internetconsultatie aangeboden, in het eerste kwartaal 2024 aanhangig gemaakt bij de Tweede Kamer en in het derde kwartaal 2024 bij de Eerste Kamer. De verwachte publicatie in het Staatsblad is uiterlijk december 2024 met een gewenste inwerkingtreding per 1 januari 2026.

Bij de aanname van het wetsvoorstel Belastingplan 2023 in de Tweede Kamer is ook een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht te onderzoeken hoe een miljonairsbelasting, bijvoorbeeld door een vermogensbelasting van 1% op box 3-vermogen boven de 1 miljoen, vormgegeven kan worden in het licht van uitvoerbaarheid en fiscaal-juridische houdbaarheid (Motie over het onderzoeken van het vormgeven van een miljonairsbelasting in het licht van uitvoerbaarheid en fiscaal-juridische houdbaarheid • 09-11-2022 • 36202-102). In een Kamerbrief over toekomstig box 3-stelsel (9-2-2023 • 2023-0000024885) verwijst de staatssecretaris naar fiche 44 uit het IBO Vermogensverdeling. Hierin wordt een brede vermogensbelasting behandeld met een vrije voet per persoon van € 1 miljoen met een grondslag die in beginsel bestaat uit vermogen in box 1, box 2 en box 3. Aandachtspunten hierbij zijn de uitvoerbaarheid en de juridische houdbaarheid.

3. Kamerbrief van 29 september 2022

Bijgewerkt op 12 september 2023

In de Kamerbrief over het toekomstige box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement • 29-09-2022 • 2022-0000206548 gaf de staatssecretaris uitvoering aan een aantal moties en toezeggingen over het toekomstige box 3-stelsel.

De staatssecretaris ging in de brief in op twee mogelijke stelsels voor het belasten van het werkelijke rendement en schetste daarbij de voor- en nadelen:

Vermogenswinstbelasting  Vermogensaanwasbelasting 
De waardemutatie over de periode van bezit wordt belast in het jaar van verkoop.

Jaarlijks wordt de (nog niet als inkomen gerealiseerde) waardemutatie belast, optellend tot de waardemutatie over de periode van bezit

Pluspunten:

  • Sluit aan bij realisatiebeginsel.
  • Liquiditeitsvoordeel voor burgers ten opzichte van huidige box 3-stelsel en een vermogensaanwasbelasting.

Pluspunten:

  • Weinig economisch verstorend.
  • Belastingdienst kan de aangifte grotendeels voorinvullen.

Minpunten

  • Groot eenmalig nadeel voor de schatkist.
  • Lock-in-effect (fiscale prikkel om bij waardestijging de verkoop uit te stellen) met grotere kans op constructies en belastingontduiking.
  • Belastingplichtige moet bij verkoop van box 3-bezittingen zelf de aankoopwaarde en de gemaakte kosten aanleveren.

Minpunten:

  • Betalen over niet gerealiseerd inkomen kan stuiten op onbegrip van de burger en leidt tot liquiditeitsprobleem voor kleine minderheid.
  • Er is meer belang bij instrumenten zoals verliesverrekening.
  • Mogelijk ingewikkeld voor onroerende zaken.


Binnen de vermogensaanwasbelasting schetste de staatssecretaris de opties om het werkelijke rendement op onroerende zaken te belasten. Voor de waardering leek de enige realistische mogelijkheid om aan te sluiten bij de WOZ-waarde voor woningen en de WEV voor niet-woningen. Voor het belasten van de waardeontwikkeling achtte de staatssecretaris drie varianten relatief kansrijk. Om de juridische houdbaarheid van deze varianten te toetsen, gaf hij aan extern advies in te winnen.

Forfait voor indirect rendement onroerende zaken
In deze variant wordt de waardeontwikkeling van een onroerende zaak ten opzichte van de beginwaarde van de onroerende zaak bepaald met een forfait. Hierbij zouden één of meer forfaits kunnen gelden die een weergave zijn van de gemiddelde waardeontwikkeling. Hierbij wordt in ieder geval gedifferentieerd tussen woningen en niet-woningen. Een optie is om ook naar regio te differentiëren.

Forfaitaire voorheffing die een jaar later wordt verrekend met het werkelijke rendement
De waardeontwikkeling van een onroerende zaak wordt in jaar 1 forfaitair belast op basis van de (WOZ-)beginwaarde. In de aangifte van jaar 2 wordt de belastingaangifte van jaar 1 gecorrigeerd met de werkelijke waardeontwikkeling op basis van de (WOZ-)waarden. Afwijking hiervan vindt plaats bij bijzondere situaties zoals sfeerovergangen tussen boxen, vererving, schenking of aan- of verkoop.

Werkelijk rendement over voorgaand jaar bij woningen
De waardeontwikkeling van woningen wordt op basis van de begin- en eindwaarden van jaar 1 belast in jaar 2. Voor niet-woningen wordt de waardeontwikkeling in het jaar zelf belast. Afwijking hiervan vindt plaats bij bijzondere situaties zoals sfeerovergangen tussen boxen, vererving, schenking of aan- of verkoop.

De staatssecretaris beschreef in zijn brief ook nog drie varianten die hij minder kansrijk schat. Voor deze varianten wordt verwezen naar pagina 19 tot en met 21 van de brief.

De staatssecretaris ging verder in op de mogelijkheden om binnen de vermogensaanwasbelasting en de overbruggingswet eventueel rekening te houden met inflatie. Dit is technisch mogelijk en sluit aan bij het draagkrachtbeginsel. De nadelen zijn echter extra complexiteit en een lagere belastingopbrengst, die budgettair gedekt moet worden (zie voor meer details pagina 21 tot en met 24 van de brief).

Tot slot besprak de staatssecretaris een aantal toezeggingen over de (on)mogelijkheden om belasting te ontwijken, zoals box-arbitrage en buitenlandsituaties, de behandeling van kwijtscheldingswinst in lijn met het armoede- en schuldenbeleid, de doorwerking van het nieuwe stelsel naar de toeslagen, de afbakening van vrijstellingen, en de berekening van het forfaitaire rendement voor de overbruggingswet.

De staatssecretaris streefde er op dat moment nog naar om in januari 2023 de concept-wetgeving gereed te hebben. De gewenste inwerkingtreding was toen 1 januari 2026. De staatssecretaris gaf hierbij aan dat deze planning ambitieus was.

4. Kamerbrief van 9 februari 2023

Bijgewerkt op 12 september 2023

In een Kamerbrief over toekomstig box 3-stelsel (9-2-2023 • 2023-0000024885) werd nogmaals beschreven dat voor een rechtvaardigere belastingheffing het volgens het kabinet nodig is om richting een stelsel te gaan op basis van werkelijk rendement. Dit is wel structureel complexer voor de Belastingdienst en een deel van de belastingplichtigen.

Alternatief op basis van Overbruggingswet box 3
Daarom beschreef de staatssecretaris een alternatief op basis van de Overbruggingswet box 3. Hierbij had de staatssecretaris een verkenning gedaan naar het onderscheiden van meer categorieën, het anders berekenen van de forfaits, het eventueel omzetten van het heffingvrije vermogen in een heffingvrij inkomen, het hanteren van meerdere peildata en het invoeren van een tegenbewijsregeling. Op basis van deze verkenningen is een alternatief voor een stelsel op basis van het werkelijk rendement samengesteld met als basis de Overbruggingswet box 3 waarin:

  • Het forfaitair rendement bepaald wordt voor meer verschillende vermogensbestanddelen. Bij een aantal categorieën kan onderscheid gemaakt worden tussen binnenlandse en buitenlandse bezittingen.
  • De peildatum blijft in dit alternatief 1 januari.
  • De forfaitaire percentages worden vastgesteld uitgaande van het gemiddelde nettorendement (hierbij wordt dus rekening gehouden met de kosten).
  • Bij vermogenscategorieën met een reële kans op negatieve gemiddelde rendementen in een belastingjaar worden meerjarige forfaits toegepast met de formule: gemiddelde rendement van de vijf of tien meest recente jaren.
  • Het heffingsvrije vermogen wordt omgezet in een heffingvrij inkomen.

De verschillende vermogenscategorieën in dit alternatief werden als volgt voorgesteld:

Categorie

Eenjarig of meerjarig forfait

Banktegoeden (waaronder ook een aandeel VvE spaargeld en geld op een derdenrekening bij een notaris

Eenjarig

Obligaties

Meerjarig

Woningen (verhuurd)

Huur eenjarig, waardeontwikkeling meerjarig

Woningen (niet-verhuurd)

Huur eenjarig, waardeontwikkeling meerjarig

Niet-woningen (verhuurd)

Huur eenjarig, waardeontwikkeling meerjarig

Niet-woningen (niet-verhuurd)

Huur eenjarig, waardeontwikkeling meerjarig

Contant geld

Nihil

Vorderingen

Eenjarig

Schulden voor onroerend goed

Eenjarig

Overige schulden

Eenjarig

Kapitaalverzekeringen

Meerjarig

Rechten op periodieke uitkeringen

Meerjarig

Nettolijfrente, nettopensioen

Meerjarig

Cryptovaluta

Meerjarig

Overige bezittingen (waaronder effecten, andere dan obligaties)

Meerjarig

5. Kamerbrief van 26 april 2023

Bijgewerkt op 12 september 2023

Het kabinet onderzocht nog de volgende combinatie van varianten voor het belasten van onroerende goed (Kamerbrief verfijningen box 3 • 26-04-2023 • 2023-0000101431):

  • Belasten werkelijke inkomsten uit verhuur, pacht en erfpachtinkomsten (canon), uitgaande van de kale huurprijs. De verhuurkosten zijn hierbij forfaitair aftrekbaar als een percentage van de werkelijke inkomsten.

  • De waardeontwikkeling wordt forfaitair bepaald op basis van de beginwaarde (voor woningen WOZ, voor niet-woningen WEV). De met de waardeontwikkeling samenhangende onderhoudskosten zijn niet apart aftrekbaar maar onderdeel van de forfaitair bepaalde waardeontwikkeling.

  • De forfaits voor de waardeontwikkelingen zijn voor woningen anders dan voor niet-woningen. Niet-woningen worden voor de forfaits nog verder onderverdeeld in verschillende soorten onroerend goed.

  • Onderzocht wordt nog of het mogelijk is om het eigen gebruik van onroerend dat in box 3 valt, te belasten.

Daarnaast werd nog de variant van het belasten van onroerend goed als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 onderzocht in twee varianten: wel belasten eigen gebruik én niet belasten eigen gebruik. Ook werd nog onderzocht of onderscheid gemaakt kan worden tussen particuliere verhuurders met een beperkt aantal verhuurde woningen (heffing via een forfait in box 1) en verhuurders met een grote onroerendgoedportefeuille (heffing via winstregime in box 1) (Kamerbrief verfijningen box 3 • 26-04-2023 • 2023-00001014310).

De Tweede Kamer leek nog verdeeld (Tweede Kamer hopeloos verdeeld over nieuwe vermogensbelasting • 10-05-2023). Naar aanleiding van het debat op 9 mei 2023 was het volgende toegezegd:

"De staatssecretaris zal de Kamer na afstemming met het kabinet in de zomer 2023 per brief informeren over de vervolgstappen met betrekking tot de keuzes voor de toekomst van box 3 en daarbij onder andere een vergelijkend overzicht geven van de kostenderving van de verschillende opties."

(Toezegging bij Toekomst box 3 • 09-05-2023).

6. Antwoorden op Kamervragen over startups en hervorming box 3

Bijgewerkt op 12 september 2023

In antwoord op Kamervragen (Antwoorden op Kamervragen over startups en hervorming box 3 • 28-06-2023) gaf de staatssecretaris aan dat de zorgen van de startupsector over de hervorming van box 3 bij hem bekend zijn. Zo kan de vermogensaanwassystematiek voor medewerkers in startups en business angels nadelig uitpakken. Het kabinet zou dit signaal en andere signalen (waaronder bijvoorbeeld het investeringsklimaat) meenemen in de verdere vormgeving van box 3. Het kabinet had echter nog geen besluit genomen over de definitieve vorm van het nieuwe box 3-stelsel.

7. Internetconsultatie wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3

Bijgewerkt op 23 juli 2024

Op 8 september 2023 is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ter internetconsultatie aangeboden (Internetconsultatie Wet werkelijk rendement box 3 • 08-09-2023 • 25758), In dit wetsvoorstel wordt een box 3-stelsel voorgesteld vanaf 1 januari 2027. Op 25 januari 2024 kondigde de toenmalige staatssecretaris een aantal wijzigingen aan op dit wetsvoorstel (Kamerbrief reacties internetconsultatie wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 • 25-01-2024 • 2024-0000009211 en Nieuwsbericht Technische verbeteringen in voorstel nieuw stelsel box 3 • 25-01-2024). Op 15 april 2024 kondigde de toenmalige staatssecretaris opnieuw wijzigingen aan ((Kamerbrief over toekomstig stelsel box 3 en voorbereidingen arrest Hoge Raad • 15-04-2024 • 2024-0000229730). Het toenmalige kabinet stuurde het wetsvoorstel medio juni 2024 voor advies naar de Raad van State (Nieuwsbericht Kabinet stuurt wetsvoorstel voor toekomstig box 3-stelsel naar Raad van State • 19-06-2024 en Kamerbrief stand van zaken wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 • 19-06-2024 • 2024-0000351785). Het wetsvoorstel is gewijzigd door toevoeging van de wijze waarop de belasting over onroerende zaken wordt berekend. Na deze wijzigingen wordt in het wetsvoorstel, op hoofdlijnen, het volgende box 3-stelsel vanaf 1 januari 2027 voorgesteld:

  • Hoofdregel: box 3-heffing op basis van het werkelijke rendement uit sparen en beleggen op basis van een vermogensaanwasbelasting. Hierbij wordt het directe rendement (bijvoorbeeld rente, huur, dividend met aftrek van kosten) én het indirecte rendement (de gerealiseerde én ongerealiseerde waardeontwikkeling) jaarlijks belast in box 3;
  • Uitzondering voor:
    • Onroerende zaken en niet-beursgenoteerde aandelen in  innovatieve start- ups en scale-ups: het indirecte rendement niet belast op basis van een vermogensaanwasbelasting maar op basis van een vermogenswinstbelasting (alleen gerealiseerde waardeontwikkeling belast in box 3, zoals bij verkoop maar ook bij overlijden en emigratie). Waar in het oorspronkelijke wetsvoorstel niet-beurgenoteerde aandelen in familiebedrijven nog belast zouden worden op basis van een vermogenswinstbelasting, vallen deze aandelen na de wijziging van 15 april 2024 onder de hoofdregel van de vermogensaanwasbelasting. Waar in het oorspronkelijke wetsvoorstel voor de eerste eigen woning in box 3 nog een afwijkende behandeling was opgenomen, valt de eerste eigen woning in box 3 na de wijziging van 25 januari 2024 ook onder de vermogenswinstbelasting;
    • Bank- en spaartegoeden: alleen direct rendement wordt belast, geen vermogensaanwas- of vermogenswinstbelasting.
  • Het directe rendement op onroerende zaken wordt als volgt belast:
    • Wordt een onroerende zaak minimaal 90% van het jaar verhuurd, dan zijn de huurinkomsten belast en zijn de jaarlijkse onderhoudskosten aftrekbaar;
    • Wordt een onroerende zaak het hele jaar niet verhuurd, dan wordt het directe rendement (voor eigen gebruik) berekend via een vastgoedbijtelling van 2,65% van de WOZ-waarde. In de vastgoedbijtelling is al rekening gehouden met aftrek van onderhoudskosten.
    • Valt een onroerende zaak niet onder een van de vorige categorieën maar wordt deze gemengd gebruikt (verhuurd voor minder dan 90% per jaar én eigen gebruik), dan geldt de hoogste bedrag dat volgt uit de huurinkomsten minus de onderhoudskosten of de vastgoedbijtelling;
    • Is sprake van verbeteringskosten, dan wordt daar pas rekening mee gehouden bij het bepalen van de vermogenswinst.
  • Eigen gebruik wordt ook belast in box 3:
    • Voor onroerende zaken (zowel woningen als andere onroerende zaken) via de berekening van het directe rendement zoals hiervoor weergegeven;
    • Eigen gebruik van roerende zaak (denk aan auto, caravan of boot) wordt niet belast in box 3.
  • Belastingheffing over het 'totaalvoordeel' dat in de basis lijkt op het “totaalwinstregime” met onder meer:
    • Zakelijkheidstoets: voor de bepaling van het totaalvoordeel moet zakelijk gehandeld worden;
    • Alleen kosten die verband houden met de inning, het behoud en de verwerving van het resultaat komen voor aftrek in aanmerking;
    • Aftrekbeperking van kosten met een gemengd karakter, kosten waarvan het niet wenselijk geacht wordt dat deze aftrekbaar zijn en kosten met een privékarakter. Voor de vormgeving van deze aftrekbeperkingen wordt aansluiting gezocht bij de bestaande aftrekbeperkingen in box 1.
  • Verzekeringsproducten:
    • ook onder de vermogensaanwasbelasting, waardering op basis van actuariële reservewaarde;
    • Nettopensioenen en nettolijfrenten blijven onder voorwaarden vrijgesteld;
    • Zuivere overlijdensrisicoverzekering volledig vrijgesteld;
    • Afschaffen huidige overgangsrecht voor kapitaalverzekeringen vóór 2001.
  • Hoofdregel: waardering vermogensbestanddelen naar waarde in het economische verkeer.
  • Uitzondering voor vorderingen en schulden tussen natuurlijke personen: waardering op nominale waarde.
  • Voor onroerende zaken en aandelen in een familie- of startende onderneming komt per 1 januari 2027 een step-up naar de waarde in het economische verkeer. Voor woningen in box 3 vindt de step-up plaats naar de WOZ-waarde. Dit was in het oorspronkelijke wetsvoorstel nog niet opgenomen, maar is door de wijzigingen van 25 januari 2024 toegevoegd.
  • In tegenstelling tot opgenomen in het oorspronkelijke wetsvoorstel worden door de wijzigingen van 25 januari 2024 koerswinsten en -verliezen van banktegoeden in vreemde valuta ook belast.
  • Kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling (onder voorwaarden) om te voorkomen dat kwijtschelding van een schuld bij de schuldenaar leidt tot belastingheffing in box 3.
  • Indirect rendement bij vermogensaanwasbelasting is waarde in het economische verkeer begin kalenderjaar verminderd met waarde in het economische verkeer einde kalenderjaar gecorrigeerd voor stortingen en onttrekkingen in het box 3-vermogen.
  • Mogelijkheid van verliesverrekening met box 3-inkomens van de volgende jaren. Er wordt wel een drempel van € 500 voorgesteld: voor zover het verlies lager is dan deze drempel wordt dit niet bij verliesbeschikking vastgesteld en komt dit dus niet voor verrekening in aanmerking. Er werd nog nagedacht over een mogelijkheid van verliesverrekening met voorgaande jaren, maar met de wijzigingen per 25 januari 2024 is duidelijk geworden dat er geen mogelijkheid komt om verliezen te verrekenen met voorgaande jaren.
  • Belasten van nominaal werkelijk rendement (zonder rekening te houden met inflatie).
  • Heffingvrij inkomen (in plaats van het huidige heffingvrije vermogen). Het heffingvrije inkomen is vooralsnog vastgesteld op € 1.250.
  • Geen schuldendrempel meer.
  • Toerekening vermogen aan eigenaar, fiscale partners kunnen hun totale voordeel vrij toerekenen.
  • Vermogensaanwas- of vermogenswinst geheel belast bij bloot eigenaar van het vermogensbestanddeel, regulier voordelen (dividend, rente) wel bij de genotsgerechtigde.
  • Met de wijzigingen per 25 januari 2024 is de behandeling van genotsrechten aangepast. De prijs voor aankoop genotsrecht is niet in een keer aftrekbaar in het jaar van vestigen van het genotsrecht, maar in gedeelten in de jaren waarin het genotsrecht bestaat.
  • Geen vrijstelling voor groen sparen en beleggen meer, wel hogere heffingskorting voor groen sparen en beleggen.
  • Invoering administratieplicht voor belastingplichtigen met box 3-vermogen.
  • Voorgesteld tarief box 3 is 36%.

Het voorstel en de reacties daarop kunnen door het nieuwe kabinet gebruikt worden bij de vormgeving van het definitieve wetsvoorstel. In een Kamerbrief met analyse arresten Hoge Raad over box 3 en proces rechtsherstel • 18-07-2024 • 2024-0000372058 merkt staatssecretaris Idsinga op dat het oordeel van de Hoge Raad op 6 en 14 juni 2024 over het begrip werkelijk rendement in de Wet rechtsherstel box 3 en de Overbruggingswet box 3 op onderdelen (bijvoorbeeld het wel toestaan van kostenaftrek en verliesverrekening) afwijkt van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Dit oordeel van de Hoge Raad moet echter worden gezien in de context van tegenbewijs ten aanzien van het huidige forfaitaire stelsel en staat niet in de weg aan een andere vormgeving in de Wet werkelijk rendement box 3. Zie voor nadere details:

  • Nieuwsbericht Kabinet stuurt wetsvoorstel voor toekomstig box 3-stelsel naar Raad van State • 19-06-2024;
  • Kamerbrief stand van zaken wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 • 19-06-2024 • 2024-0000351785;
  • Kamerbrief over toekomstig stelsel box 3 en voorbereidingen arrest Hoge Raad • 15-04-2024 • 2024-0000229730;
  • Kamerbrief reacties internetconsultatie wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 • 25-01-2024 • 2024-0000009211;
  • Nieuwsbericht Technische verbeteringen in voorstel nieuw stelsel box 3 • 25-01-2024);
  • Internetconsultatie Wet werkelijk rendement box 3 • 08-09-2023 • 25758;
  • Kamerbrief over toekomstig stelsel box 3 • 08-09-2023 • 2023-0000202460;
  • Nieuwsbericht Internetconsultatie nieuw stelsel box 3 gestart • 08-09-2023.

Op 18 april 2024 vond een commissiedebat over het nieuwe box 3-stelsel plaats in de Tweede Kamer. Diverse media melden dat de Staatssecretaris nog aanpassingen gaat doen op het wetsvoorstel en dit wetsvoorstel uiterlijk 25 juni 2024 in de Ministerraad wil vaststellen. Zie ook het bericht op TaxLive.

Planning invoering

In een Kamerbrief van 25 januari 2024 (Kamerbrief reacties internetconsultatie wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 • 25-01-2024 • 2024-0000009211) ging de toenmalige staatssecretaris in op de planning van het box 3-stelsel vanaf 2027. Om de beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2027 te halen zijn de volgende data belangrijk:

  • Vóór 15 maart 2025 moet het wetsvoorstel door de Tweede Kamer zijn aangenomen;
  • Uiterlijk 31 december 2025 moet de wet in de Staatscourant gepubliceerd zijn. De Eerste Kamer moet dus voor die datum het wetsvoorstel aannemen.

Om deze data te halen moet het definitieve wetsvoorstel uiterlijk in de zomer 2024 bij de Tweede Kamer aanhangig worden gemaakt.

In een Kamerbrief over toekomstig stelsel box 3 en voorbereidingen arrest Hoge Raad • 15-04-2024 • 2024-0000229730 ging de toenmalige staatssecretaris in op de voorlopige uitvoeringstoets op het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Zie ook het bericht op TaxLive.

Op 18 april 2024 vond een commissiedebat over het nieuwe box 3-stelsel plaats in de Tweede Kamer. Diverse media meldden dat de toenmalige staatssecretaris nog aanpassingen ging doen op het wetsvoorstel en dit wetsvoorstel uiterlijk 25 juni 2024 in de Ministerraad wilde vaststellen. Zie ook het bericht op TaxLive.

In een Kamerbrief over toezeggingen Commissiedebat d.d. 18 april 2024 • 15-05-2024 • 2024-0000286212 gaf de toenmalige staatssecretaris nogmaals aan dat, om invoering per 2027 te halen, in mei 2024 besloten moet worden of het wetsvoorstel over het toekomstig stelsel box 3 in de huidige vorm klaar was voor de volgende stappen. Op 28 mei 2024 nam de Tweede Kamer een motie aan om het voorbereidingsproces voort te zetten om zo de beoogde invoeringsdatum van het nieuwe box 3-stelsel te halen (Motie van de leden Idsinga en Vermeer over het voorbereidingsproces voortzetten om de beoogde invoeringsdatum van het nieuwe box 3-regime te halen • aangenomen 28-05-2024).

Naar aanleiding van het op 23 mei 2024 gehouden tweeminutendebat over het concept wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 stuurde de toenmalige staatssecretaris beide kamers een brief. Hierin ging hij onder meer in op aandelenbelangen van minder dan 5 proecent (Kamerbrief over toezeggingen Tweeminutendebat box 3 • 07-06-2024 • 2024-0000339991).