Inmiddels traditiegetrouw publiceert het Ministerie van Financiën met de Voorjaarsnota tien ‘opmerkelijke belastingconstructies’, steeds in bijlage X (toeval bestaat niet). Zo ook in de recente 2026-versie. Afgevoerd is de schenking van woningen tegen de WOZ-waarde. De WOZ-waarde zou per 1 januari 2027 worden afgeschaft als waarderingsmaatstaf voor de schenking van woningen maar dit bleek onuitvoerbaar te zijn. Dit had iedereen van tevoren wel kunnen voorspellen natuurlijk, als je voor elke schenking van woningen een taxatie moet laten opstellen, waarover ook weer discussies met de Belastingdienst ontstaan. In die zin is de WOZ als waarderingsmaatstaf natuurlijk hartstikke praktisch en eenvoudig. Zelfs AI kan deze was doen.
Daartegenover is de aandacht nu verplaatst naar de schuldigerkenning uit vrijgevigheid, ook wel de papieren schenking genoemd. Deze ‘opmerkelijke belastingconstructie’ is dit jaar nieuw op de lijst en dat is opmerkelijk. Waarom? Omdat deze schenkingsfiguur al zo lang als ik fiscaal actief ben, en dat is inmiddels ruim 35 jaar, voorkomt en algemeen is geaccepteerd en wordt toegepast. Het woord ‘opmerkelijk’ suggereert toch tenminste dat het een constructie is die relatief nieuw in het vizier van de Belastingdienst of het Ministerie is gekomen. Maar ik mag toch aannemen dat dit fenomeen ook daar al jaren breed bekend is. Waarom nu dan de pijlen gericht op deze schenkingsfiguur?
Substance over form
Op het eerste gezicht is een papieren schenking natuurlijk een merkwaardige figuur. Toen ik er 35 jaar geleden voor het eerst mee werd geconfronteerd – ik moet bekennen dat deze figuur tijdens mijn studie niet aan bod was gekomen – keek ik er raar van op. Net afgestudeerd en doorkneed in het fiscale adagium van substance over form, waarbij voor de belastingheffing de materiële werkelijkheid wordt gesteld boven wat partijen op papier pretenderen, kon ik me niet voorstellen dat met een simpele notariële akte en wat handtekeningen vermogen kon worden overgeheveld. De term ‘papieren schenking’ hielp natuurlijk ook al niet. Dat deed inderdaad vermoeden dat we hier te maken hadden met een schijnconstructie.
Inmiddels weet ik beter en beken ik dat ik er zelf ook gebruik van heb gemaakt. Toen ik bij de notaris zat, had ik niet het idee met iets ‘opmerkelijks’ bezig te zijn. Dit was toch decennialang geaccepteerd?
Marginale opbrengst
Natuurlijk kan en mag een wetgever zijn fiscale wetgeving wijzigen en wat jarenlang gebruik(t) is, hoeft dat op enig moment niet meer te zijn. De vraag is dan wat nu het probleem is met die papieren schenking. Eerst wat cijfers.
De opbrengst van de erf- en schenkbelasting bedraagt slechts € 3,8 miljard, op een totale belastingopbrengst van ongeveer € 295 miljard (exclusief de premieheffing) (Miljoenennota 2026). Dat is dus 1,3 procent en daarmee volstrekt verwaarloosbaar. Hoeveel belastinggeld de papieren schenking de Nederlandse staat kost, vermeldt de Voorjaarsnota 2026 niet, maar dit zal een fractie zijn van die € 3,8 miljard. En dan rijst al snel de vraag of er geen belangrijkere zaken met een groter financieel belang voor de staat zijn om zich druk over te maken.
Schenking in cash
Voorts rijst de vraag of wetsreparatie iets zal opleveren. De papieren schenking kan immers gemakkelijk worden vervangen door een schenking in cash. Dan bereikt men immers hetzelfde doel, namelijk uitholling van het vermogen van de schenker. Wetsreparatie heeft dan geen effect. Vervanging van de papieren schenking door een schenking in cash is alleen mogelijk als er voldoende liquide middelen zijn. Zit het vermogen vast in bijvoorbeeld stenen, dan moet dit eerst liquide worden gemaakt. Repareert men de papieren schenking, dan treft men dus feitelijk enkel diegenen met illiquide vermogen. De wetsreparatie verwordt dan tot een toevalstreffer. Populair gezegd: beleggers in vastgoed zijn de klos, beleggers in aandelen niet. Fundamenteel is dit allemaal natuurlijk niet.
Daarbij: de begiftigde kan de cash natuurlijk ook weer teruglenen aan de schenker, waarmee we dus feitelijk weer terug zijn bij de papieren schenking. Er is dan enkel een kasrondje gepleegd. Bij een eventuele wetsreparatie zal, neem ik aan, ook dit kasrondje worden afgedicht, want anders kan de wetgever reparatie net zo goed achterwege laten. Maar dan rijst weer de vraag welke cash-schenkingen en terugleningen gelijk worden gesteld aan de papieren schenking. Anders gezegd: hoeveel tijd moet er dan zitten tussen de schenking en de teruglening? Dat wordt dan nog ingewikkelde wetgeving en niet aantrekkelijk voor de Belastingdienst om te moeten controleren. Die dienst heeft het al druk genoeg. Het zou mij niks verbazen als nader onderzoek leert dat ook dit niet uitvoerbaar zal zijn, net als de schenking van woningen tegen de WOZ-waarde.
Jaarlijkse rentebetaling van 6 procent
Nou zit er aan die papieren schenking nóg een element en dat is de verplichte jaarlijkse rentebetaling van minimaal 6 procent. Die is vereist om uit de klauwen van de fictiebepaling van art. 10 SW 1956 te blijven. Die 6 procent is ten opzichte van de algemene rentestand al jaren een (te) hoog percentage. Maar pakt in dit geval goed uit, want leidt tot nog meer vermogensoverdracht. Overigens, in de praktijk wordt die 6 procent niet altijd betaald. Erg is dat niet. Had men namelijk niet op papier geschonken, dan was de schenking onderdeel gebleven van het vermogen van de erflater en belast met erfbelasting. Betaalt men die 6 procent niet, dan geldt via de fictie van art. 10 SW 1956 hetzelfde.
Vanuit erfbelastingperspectief maakt het dus niks uit of de constructie lukt of mislukt. Het enige wat de mislukte constructie extra heeft gekost, zijn de kosten van de notaris voor de papieren schenking. Maar die zijn te overzien, weet ik inmiddels uit ervaring (maar dat is subjectief realiseer ik me). Voor notarissen is dit immers standaardwerk met standaardakten. Ook deze was kan AI doen. En in de jaren waarin die 6 procent wel is betaald, is er toch vermogen overgeheveld. Dit neemt niet weg dat ik me wel goed kan voorstellen dat eens kritisch naar die minimale 6 procent wordt gekeken, wat trouwens ook in de Voorjaarsnota 2026 is aangekondigd. Waarbij dan de spannende vraag is wat dit betekent voor reeds bestaande papieren schenkingen. Een verlaging van het percentage zal hen niet raken, want art. 10 SW 1956 eist dat ten minste 6 procent wordt betaald (art. 10 lid 3 SW 1956 jo. art. 10 Uitv.besl. SW 1956). Wordt dit percentage verlaagd en blijft de schuldenaar de in de akte afgesproken 6 procent betalen, dan voldoet dit. Alleen als het percentage hoger dan 6 procent wordt gesteld, rijzen moeilijke vragen. Maar de Voorjaarsnota 2026 zinspeelt op een lager percentage, van 3 procent, niet op een hoger percentage.
Box 3
Aan die papieren schenking zit nog een ander aspect, en dat betreft box 3 in de inkomstenbelasting. Bij de schuldeiser maakt de vordering en bij de schuldenaar de schuld deel uit van hun rendementsgrondslag. Doet men het zuiver, dan moet men beoordelen of de rente van 6 procent overeenkomt met de marktrente op 1 januari van elk jaar. Is dat niet zo, en dat is al jaren niet zo, de marktrente is al jaren flink lager dan 6 procent, dan zijn vordering en schuld meer waard dan de nominale waarde en zal men die hogere werkelijke waarde moeten opnemen in box 3 en daarover het forfaitaire rendement van (toevallig ook) 6 procent moeten berekenen. Ik durf hier de voorspelling aan dat niemand dat doet en iedereen ‘gewoon’ de nominale waarde opneemt in box 3 en de Belastingdienst dit ook niet corrigeert. Maar juist is het niet. Waarderingsmaatstaf van vorderingen en schulden is immers de waarde in het economische verkeer (art. 5.19 lid 1 Wet IB 2001).
Onder het tegenbewijsregime in box 3 is het nog ingewikkelder, want dan geldt er een zakelijkheidsprincipe (art. 5.27 lid 3 Wet IB 2001). De rente moet dan worden gecorrigeerd naar zakelijkheid, wat in de praktijk, gelet op de marktrente de afgelopen jaren, veelal een verlaging met zich zal brengen, bij schuldeiser én schuldenaar. En daarnaast is er de vermogensaanwas of -afwas voor het waardeverschil van de vordering/schuld per 1-1 en 31-12. Dat worden nog ingewikkelde rekenexercities. Ik durf de voorspelling wel aan dat ook dit niemand zal doen. De vermogensaan- respectievelijk -afwas zal op nihil worden gesteld, want begin- en eindwaarde zijn steeds gelijk aan elkaar (want de nominale waarde) en men zal de rente van 6 procent aangeven als belaste/aftrekbare rente. Niet juist, maar wel praktisch.
Voor het werkelijke rendement box 3 vanaf 2028 geldt dit wat de rente betreft overigens op dezelfde wijze maar niet voor de vermogensaan- respectievelijk -afwas van de vordering en schuld. Vorderingen en schulden tussen natuurlijke personen, wat de papieren schenking is, worden standaard gesteld op de nominale waarde (het voorgesteld art. 5.57 lid 1 Wet IB 2001). In de nieuwe box 3 vanaf 2028 moet dus enkel de rente worden gecorrigeerd naar zakelijkheid.
Alles overziende bekruipt mij sterk het gevoel dat deze nieuwe focus op de papieren schenking much ado about nothing is. Er zijn wel belangrijkere fiscale onderwerpen die aanpak vergen, dan dit kruimelwerk.