Afgelopen woensdag 13 mei 2026 heeft het Ministerie van Financiën een lijvig rapport opgeleverd over de zogenaamde 30-jaarsproblematiek met de hypotheekrenteaftrek. Ik schrijf ‘zogenaamd’, en niet ‘zogenoemd’, want dat 30-jaarsprobleem bestaat helemaal niet. Men ziet spoken. Hoe zit dat? 

Het 30-jaarsprobleem

Eerst kort het 30-jaarsprobleem waar het hier om gaat. Op 1 januari 2001, met de invoering van de huidige Wet IB 2001, heeft iedere eigenwoningbezitter met een hypotheeklening een maximale hypotheekrenteaftrektermijn gekregen van 30 jaar. Die termijn loopt af op 1 januari 2031. Dan wordt de eerste groep eigenwoningbezitters geconfronteerd met een beperking van hun hypotheekrenteaftrek in box 1. Áls zij dan nog een hypotheeklening hebben uiteraard, want velen hebben die vóór die tijd al afgelost, wat vanuit financiële-planningsoogpunt sowieso verstandig is om te doen. Maar zij die dat niet hebben gedaan, zien nu het jaar 2031 als een donkere wolk op zich afkomen door alle doemscenario’s die de laatste tijd regelmatig in de pers worden geschetst. En dat is volstrekt ten onrechte; zij kunnen rustig (verder) slapen.

Er is helemaal geen probleem

Hoe komt dat nu? Om dat te begrijpen moeten we de blik drie jaar eerder wenden naar 1 januari 2028. Dan wordt een nieuwe box 3 ingevoerd. In die nieuwe box 3 is alle rente aftrekbaar, onbegrensd en onbeperkt. Wat gebeurt er nu met een eigenwoninglening in box 1 die langer loopt dan 30 jaar? Die verhuist naar box 3. Dat gebeurt dus voor de eerste groep op 1 januari 2031, wanneer die nieuwe box 3 er dus al drie jaar is. En wat constateer je dan? Dat de hypotheekrente nog steeds aftrekbaar is! Alleen niet in box 1 maar in box 3. Maakt dat wat uit? Niet veel. In box 1 is de hypotheekrenteaftrek al enige jaren gemaximeerd op het 2e schijftarief van 37,56% (2026). In box 3 is het tarief 36% en tegen dit tarief is de (hypotheek)rente dan aftrekbaar. Dat scheelt ongeveer 1,5 procentpunt. Dat is verwaarloosbaar. Nieuw kan dit inzicht niet zijn, want in een interview met Follow the Money van 21 oktober 2025 heb ik hierop al gewezen.

Ben ik nou zo slim en is het Ministerie van Financiën zo dom? Zeker niet! Als je een half proefschrift kunt afleveren met dit rapport, dan ben je ook echt wel slim genoeg om dit te doorzien. In het rapport lezen we namelijk het volgende (waarbij HRA staat voor hypotheekrenteaftrek):

“3.8.3 Interactie met box 3
• De problematiek rondom de 30-jaarstermijn en de geschetste oplossingsrichtingen zijn in dit onderzoek onafhankelijk van andere ontwikkelingen onderzocht. Er bestaan echter interactie-effecten met box 3. Voor leningen die na 2013 zijn afgesloten is het op dit moment mogelijk om rente op een eigenwoningschuld in box 3 in aftrek te brengen als niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor HRA in box 1. (…)”

Dit geldt dus niet alleen voor leningen die na 2013 zijn afgesloten, zoals in deze passage staat, maar ook voor leningen van daarvóór. Meer algemeen geformuleerd: elke lening die niet aan de voorwaarden van een eigenwoningschuld van art. 3.119a Wet IB 2001 voldoet, en dat zijn dus ook leningen die de 30-jaarstermijn overschrijden, valt in box 3 en in die box is de rente vanaf 2028 al integraal aftrekbaar. Alleen is de problematiek rondom de 30-jaarstermijn en de geschetste oplossingsrichtingen in dit rapport “onafhankelijk van andere ontwikkelingen” onderzocht, zo staat er. De nieuwe box 3 is dus niet meegenomen in dit onderzoek. En dat is uiteraard een gebrek. Men kan de ogen natuurlijk niet sluiten voor een belangrijke met de 30-jaarsproblematiek samenhangende ontwikkeling die zich drie jaar daarvóór voltrekt en die die problematiek 180 graden keert.

Maar je moet wel vermogend zijn!

Nu is het wel zo dat, om iets aan die renteaftrek in box 3 te hebben, de belastingplichtige wel voldoende inkomen in box 3 moet hebben. Hij moet dus vermogend zijn. Ook dat onderkent het Ministerie van Financiën want in ditzelfde rapport staat even daarvóór:

“• Voor vermogende belastingplichtigen kan het gunstig zijn als de 30-jaarstermijn eindigt, waardoor zij hun rentekosten in aftrek kunnen brengen op hun box 3-inkomen. Dit kan nog sterker gelden voor AOW-gerechtigden met vermogen, aangezien voor deze belastingplichtigen vermoedelijk een lager belastingtarief in box 1 zal gelden dan in box 3, vanwege het wegvallen van de premie voor de AOW.”

De box 3-aftrek geldt dus effectief alleen voor vermogenden. Nu is iemand met een inmiddels 30 jaar lopende hypotheeklening dat misschien ook wel, maar er zijn er voldoende voor wie de eigen woning het enige vermogen is. Dan heb je effectief dus niks aan die renteaftrek in box 3. Zonder voldoende box 3-inkomen leidt die renteaftrek namelijk (na aftrek van de verliesdrempel van € 500) tot een verlies dat oneindig in de tijd voorwaarts kan worden verrekend. Jaar voor jaar bouwt hij dus een verlies op in box 3 dat bij overlijden vervalt. Daar zit dus iets niet goed. Om dat probleem te verhelpen, kan men een paar dingen doen:

  1. De 30-jaarstermijn in box 1 schrappen, zodat de hypotheeklening in box 1 blijft en dus niet verhuist naar box 3;

  2. Net als in box 2 een belastingkortingsregeling introduceren, waardoor het box 3-verlies tegen het box 3-tarief van 36% kan worden verrekend met de belasting in box 2;

  3. De boxensystematiek afschaffen, zodat alle verliezen voortaan binnensjaars verrekenbaar zijn met alle inkomens.

Mijn voorkeur heeft de laatste variant, want daarmee beëindigt men tevens een ander al langer bestaand probleem, namelijk de beperkte verrekenbaarheid van box 2-verliezen. Die verliezen zijn namelijk slechts in box 2 één jaar achterwaarts en zes jaar voorwaarts verrekenbaar maar regelmatig heeft de belastingplichtige daar niks aan, omdat hij na verkoop van de aandelen (met verlies) geen aanmerkelijk belang in box 2 meer bezit. Daarom was toenmalig Staatssecretaris van Financiën Vermeend in 2001 genoodzaakt om een belastingkortingsregeling te verzinnen die het mogelijk maakt box 2-verliezen, omgerekend tegen het nu laagste box 2-tarief van 24,5%, te verrekenen met (alleen) box 1-belasting.

Hoewel dit iets helpt, zien we nog genoeg gevallen in de praktijk die ook daar niks aan hebben. Nog los van het feit dat deze belastingkortingsregeling allemaal technische vragen oproept. Tik op de website van de kennisgroepen van de Belastingdienst artikel 4.53 Wet IB 2001 meer eens in, en huiver!

Naast de introductie in 2001 van de forfaitaire vermogensrendementsheffing die de Hoge Raad inmiddels heeft afgeserveerd en nu enkel nog wat stuipen trekt, was de vervanging van de synthetische inkomstenbelasting door een analytische inkomstenbelasting met zijn boxensystematiek wat mij betreft net zo’n miskleun. Die oude Wet IB 1964 was echt zo slecht nog niet. Het enige wat er toen had moeten gebeuren, is het belasten van vermogenswinsten. En dat gaat nu in 2028 alsnog gebeuren, alleen 28 jaar te laat. Maar beter laat dan nooit.

Het Ministerie van Financiën heeft een lijvig rapport afgeleverd, waarin maar liefst 7 (sub)varianten zijn onderzocht voor de 30-jaarsproblematiek die vanaf 2031 voor een grote groep eigenwoningbezitters met, vaak nog aflossingsvrije, hypotheken, manifest wordt. Alleen, de nieuwe box 3 is niet meegenomen in dit onderzoek, wat natuurlijk buitengewoon merkwaardig is als je weet dat die nieuwe box 3 er in 2028, dus drie jaar eerder, al is. Was dat wel gebeurd, dan had het ministerie zich veel tijd kunnen besparen, want dan had hij simpelweg geconstateerd dat vanaf 2028 alle rente aftrekbaar is en vanaf 2031 dus ook alle rente op hypotheekleningen met een looptijd van meer dan 30 jaar. De nieuwe box 3 lost het probleem dus vanzelf op! Dit lijvige onderzoeksrapport is daarom, zoals de Britten zeggen, much ado about nothing!

Informatiesoort: Column

Rubriek: Inkomstenbelasting

Focus: Focus

21

Gerelateerde artikelen