X en zijn echtgenote openen ieder een spaarrekening en storten daarop ieder € 99.800. Zij sluiten vervolgens een overeenkomst tot oprichting van een fonds met 2.500 participaties, waarvan ieder 998 participaties ontvangt. De participaties worden niet vastgelegd in waardepapieren en er wordt geen participantenregister opgesteld. De spaarrekeningen blijven op persoonlijke naam staan en worden niet overgedragen aan het fonds. De bankvoorwaarden sluiten overdracht of verpanding van de spaarrekeningen uit. Het fonds belegt uitsluitend in deposito’s en spaarrekeningen. X verzoekt om herziening van de voorlopige aanslag IB/PVV 2022 waarin de inspecteur het vermogen tot box 3 rekent.
In geschil is of X met de overeenkomst een fonds voor gemene rekening met vrij verhandelbare participaties heeft tot stand gebracht als bedoeld in art. 2 Wet Vpb 1969.
Hof ’s‑Hertogenbosch oordeelt dat geen sprake is van verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Het fonds geeft geen waardepapieren uit en er bestaat geen participantenregister. Voor toetreding van een nieuwe participant is aanpassing van de overeenkomst nodig, waarvoor instemming van beide participanten vereist is, zodat geen vrije verhandelbaarheid bestaat. De feitelijke omstandigheden maken deelname door derden bovendien onaannemelijk. X en zijn echtgenote brengen daarom geen fonds voor gemene rekening tot stand en het vermogen blijft tot de box 3‑grondslag behoren. Het hoger beroep van de inspecteur slaagt en het incidentele hoger beroep van X faalt.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.2
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 2
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting, Vennootschapsbelasting
Editie: 18 mei
Informatiesoort: VN Vandaag