X woont in Nederland en is gezagvoerder voor een Ierse luchtvaartmaatschappij. Hij wordt in 2016 ingehuurd door een uitzendbureau, via twee Ierse vennootschappen (LTD’s) waarvan hij minderheidsaandeelhouder en mededirecteur is. De luchtvaartmaatschappij betaalt een vergoeding per gewerkt uur aan het uitzendbureau. Het uitzendbureau betaalt een vergoeding per gewerkt uur aan de LTD’s met een ‘out of base allowance’ van € 20 per volledig gepland blokuur. Noch de LTD’s, noch het uitzendbureau, noch de luchtvaartmaatschappij is LB-inhoudingsplichtig. In geschil is of X via art. 3.84 lid 2 Wet IB 2001 toegang heeft tot een gerichte vrijstelling voor zijn op declaratiebasis door de LTD's betaalde onkostenvergoedingen (‘expenses’). Volgens de Hoge Raad (5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1236, V-N 2025/39.3) is het noodzakelijk om eerst vast te stellen wie de werkgever is, waarbij verwijzing volgt.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat hij voor zijn werkzaamheden als piloot in dienstbetrekking staat tot de twee Ierse vennootschappen. Zo is er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst en is elke verantwoordelijkheid voor het doen en nalaten van X uitgesloten. De vergoedingen zijn niet ontvangen van de werkgever, zodat zij niet gericht vrijgesteld kunnen zijn. Weliswaar is de vrijstelling in een vergelijkbare situatie wel toegepast (zie: HR 24 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1617, V-N 2025/47.9), maar dit kan met een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet doorwerken naar de onderhavige casus. De uitspraak van de rechtbank wordt alsnog bevestigd.
Wetingang:
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 31
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 31A
Burgerlijk Wetboek Boek 7 artikel 610
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Loonbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 18 mei
Informatiesoort: VN Vandaag