X BV drijft een uitzendbureau en een onderhoudsbedrijf. De inspecteur legt in 2022 een ambtshalve aanslag Vpb 2020 op van € 750.000 en beschouwt de nadien ingediende aangifte als bezwaar. Tijdens de bezwaarprocedure vraagt de inspecteur om informatie, waaronder de jaarrekening 2020 waarin een post van € 171.727 aan bijzondere lasten staat. Deze post ziet deels op een gestelde oninbare vordering op Y en deels op aan Z verstrekte gelden. Tot de stukken behoren twee brieven betreffende finale kwijting en bankafschriften met terugbetalingen door Y in 2022. De inspecteur vermindert de aanslag tot € 712.379 en handhaaft de verzuimboete van € 2.757. X BV gaat in beroep.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur geen uitnodiging en aanmaning tot het doen van aangifte overlegt en daarom geen omkering en verzwaring van de bewijslast kan toepassen. De rechtbank oordeelt daarnaast dat X BV niet aannemelijk maakt dat in 2020 redenen bestaan om de vordering op Y af te waarderen en evenmin dat de aan Z verstrekte gelden zakelijk zijn. De aftrek van € 171.727 is terecht geweigerd. De verzuimboete vervalt omdat de inspecteur geen stukken overlegt die de boete dragen.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67C
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Vennootschapsbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 18 mei
Informatiesoort: VN Vandaag