In 2020 schrijft X een eenmanszaak in met als activiteiten yogalerares. X past zelfstandigenaftrek, startersaftrek en MKB-winstvrijstelling toe waardoor een negatieve winst uit onderneming ontstaat. De inspecteur corrigeert dit en merkt de fiscale winst aan als resultaat uit overige werkzaamheden. In geschil is of X winst uit onderneming geniet en recht heeft op ondernemersfaciliteiten.
Hof Amsterdam oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat zij in 2020 een onderneming had. X heeft geen bedrijfsinvesteringen gedaan en geen duurzame organisatie opgezet. De uren die zij aan werkzaamheden heeft besteed, zijn globaal geschat en veelal omschreven als vrijwilligerswerk. Weliswaar is in geringe mate sprake van voorbereidende werkzaamheden, maar er is geen kenbaar bedrijfsplan of realistisch doel. X heeft bijna geen omzet gegenereerd in het jaar 2020 en het is nergens uit af te leiden dat dit in de toekomst redelijkerwijs wel verwacht kan worden. Ook de cijfers van de in latere jaren ingediende aangiften IB/PVV laten dat niet zien. X heeft daarom geen recht op zelfstandigenaftrek, startersaftrek en MKB-winstvrijstelling. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.4
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.6