X sluit in 1999 een spaarkasovereenkomst af bij een verzekeringsmaatschappij die kwalificeert als lijfrente in de zin van de Wet IB 1964 en de Wet IB 2001. Per 1 november 2012 gaat de polis premievrij. Op 4 oktober 2023 koopt X de overeenkomst af voor € 18.065, waarbij de verzekeraar € 9395 aan loonheffing inhoudt. De inspecteur legt een aanslag IB/PVV 2023 op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.504 en brengt € 3613 aan revisierente in rekening. In bezwaar vermindert de inspecteur de revisierente tot € 3513, uitgaande van een bruto afkoopsom van € 17.565.
In geschil is of de inspecteur de aanslag IB/PVV 2023 en de revisierente ter zake van de afkoop van de lijfrente terecht en tot de juiste bedragen heeft vaststeld.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de geldende wet- en regelgeving juist toepast en de belasting en revisierente tot de juiste bedragen heeft berekend. De rechtbank toont begrip voor het standpunt van X dat de belastingheffing onvoorzien hoog uitvalt vanwege het karakter van de polis als woekerpolis, maar stelt dat zij formele wetgeving niet mag toetsen aan haar innerlijke waarde of billijkheid. De bepalingen over afkoop van een lijfrente kan zij evenmin toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, omdat de Wet Inkomstenbelasting 2001 en de AWR formele wetten zijn en het verdisconteerde omstandigheden betreft. X' beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.125
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 30 juni
Informatiesoort: VN Vandaag