X is een sociaal verhuurbedrijf van woningen. In 2019 is van X verhuurderheffing geheven over 18.262 objecten tot een bedrag van € 11.080.052. X gaat hiertegen in beroep.
Rechtbank Noord-Nederland (V-N 2023/48.2.1) verwerpt X' grief dat de verhuurderheffing achterwege moet blijven, gezien art. 26 IVBPR en/of art. 14 EVRM, gelezen in samenhang met het recht op ongestoord genot van eigendom van art. 1 EP en art. 1 Twaalfde Protocol EVRM en het arrest HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846, V-N 2018/31.21. X stelt dat het rechtsherstel dat de Hoge Raad in het arrest heeft geboden, namelijk het buiten toepassing laten van de heffing wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel, ertoe leidt dat er een andere ongelijke behandeling is ontstaan, namelijk tussen belastingplichtigen die huurwoningen in volle eigendom hebben, en belastingplichtigen die huurwoningen in mede-eigendom hebben. Dit vloeit volgens de rechtbank niet rechtstreeks voort uit de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II, maar uit het voornoemde arrest, dat de heffing bij mede-eigenaren van huurwoningen effectief heeft uitgesloten. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel en ook niet van het eigendomsrecht. De rechtbank verwerpt ook X' beroep op begunstigend beleid. Het beroep is ongegrond. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO). Na conclusie van A-G Wattel van 10 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467, V-N 2024/28.19.
Wetingang:
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten artikel 26
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 14
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Verhuurderheffing, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Internationaal belastingrecht
Editie: 30 juni
Informatiesoort: VN Vandaag